Farma oefentoets H15, H17 en H18

Oefenvragen over CVRM, hart- en vaatziekten en bloedstolling
1 / 45
volgende
Slide 1: Tekstslide
FarmacotherapieMBOStudiejaar 3

In deze les zitten 45 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Oefenvragen over CVRM, hart- en vaatziekten en bloedstolling

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Doel van CVRM: het verlagen van risocofactoren die kunnen leiden tot HVZ.
Wat betekent CVRM?
A
Cars Vasculair Risico management
B
Cardio Vasculair Risico Management
C
Cardio Vaten Risico Manager
D
Cardio Vaten Regels Manager

Slide 2 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is GEEN risicofactor voor het krijgen van HVZ?
A
Roken
B
Verhoogd cholesterol,
C
Hypertensie
D
Eczeem

Slide 3 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het doel van CVRM?

Slide 4 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Vanaf welke waarden (in getallen uitgedrukt) spreken we van hypertensie? 

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zet de twee termen bij het juiste plaatje
Systole bloeddruk
Diastole bloeddruk
ontspanningsfase
Samentrekkingsfase

Slide 6 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

timer
1:30
Welke vier groepen geneesmiddelen worden gebruikt bij de behandeling van hypertensie?

Slide 7 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Welk geneesmiddel is een calciumantagonist?
A
lisinopril
B
furosemide
C
amlodipine
D
losartan

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bumetanide behoort tot de subgroep:
A
thiazidediuretica
B
kaliumsparende diuretica
C
basaaldiuretica
D
lisdiuretica

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een voorbeeld van een angiotensine-2-antagonist is:
A
candesartan
B
sotalol
C
nifedipine
D
lisinopril

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ace-remmers werken in op:
A
de bloedvaten
B
de nieren
C
het hart
D
sympathisch zenuwstelsel

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een patiënt gebruikt al jaren enalapril en krijgt voor het eerst hydrochloorthiazide. Welk advies geef je de patiënt?
A
naar de huisarts verwijzen
B
deze combinatie geeft geen problemen
C
2 tot 3 dagen stoppen met enalapril
D
dosering van hct langzaam opbouwen

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke geneesmiddelgroep heeft als bijwerking oedeem?
A
diuretica
B
beta-blokkers
C
ace-remmers
D
calciumantagonisten

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

 Noem een voorbeeld van een antilipaemica 
(generieke naam of specialite) 

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Stelling I: LDL-cholesterol is goed, HDL-cholesterol is slecht
Stelling II: Cholesterol is een bouwstof voor de celwand en een
grondstof voor hormonen en galzuren

A
Stelling I is onjuist, stelling II is juist
B
Beide stellingen zijn juist
C
Beide stellingen zijn onjuist
D
Stelling I is juist, stelling II onjuist

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de werking van ezetimibe:
A
het remt de aanmaak van cholesterol in het lichaam
B
remt de opname van cholesterol vanuit de darm in het bloed
C
stimuleert de lever om de afbraak van triglyceriden te bevorderen
D
het binden van galzuren in de darm

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een bekende bijwerking die specifiek voor statines geldt?
A
Kaliumtekort
B
Calciumtekort
C
Kriebelhoest
D
Spierpijn

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 18 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Noem 4 risicofactoren die kunnen leiden tot hart- en vaatziekten
timer
1:00

Slide 19 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het hartminuutvolume?
timer
1:00

Slide 20 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer moet een patiënt simvastatine innemen ?
A
in de ochtend
B
bij de lunch
C
voor de nacht
D
dat maakt niet uit

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

"Zuurstof gebrek van de hartspier ->
aanval van pijn of beklemmend gevoel achter het borstbeen soms uitstralend naar de schouders"
Hoort bij:
A
Hartfalen
B
Hartritmestoornissen
C
Angina pectoris
D
Hypertensie

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk middel in welke toedieningsvorm gebruik je bij de aanvalsbehandeling van angina pectoris?

A
Isosorbidemononitraat tabletten met verlengde afgifte
B
Nitroglycerine spray voor onder de tong
C
Metoprolol zetpillen
D
Isosorbidedinitraat pleisters

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke geneesmiddelgroep wordt NIET gebruikt bij Angina pectoris?
A
Diuretica
B
Bètablokkers
C
Calciumantagonisten
D
Nitraten

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


A
Diureticum
B
Bètablokker
C
Nitraat
D
Hartglycoside

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk antwoord hoort NIET bij hartfalen?
A
Verzwakte hartspier
B
Oedeem, vermoeidheid, versneld hartritme
C
Zo weinig mogelijk beweging en veel vocht inname
D
ouderdom, beschadigde hartspier, overgewicht

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Noem 2 oorzaken van hartfalen

Slide 27 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke 3 stellingen horen bij welke aandoening 
Hartfalen
Angina Pectoris 
Het hart is niet in staat om voldoende bloed rond te pompen om aan de wensen van het lichaam te voldoen
Bijpass/ dotteren
ACE-remmers
 Vermoeidheid, vochtophoping, benauwdheid
Zuurstofgebrek van de hartspier door artherosclerose
Aanval van beklemmend pijnlijk gevoel achter het borstbeen

Slide 28 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ace remmer

Slide 29 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Angiotensine 2 antagonist

Slide 30 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Thiazidediureticum

Slide 31 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Lisdiureticum

Slide 32 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent bradycardie?
A
een versneld hartritme van > 100 slagen per minuut
B
een vertraagd hartritme van < 50 slagen per minuut
C
spontane prikkels waardoor de kamers niet als een geheel samentrekken

Slide 33 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk geneesmiddel behoort tot de anti-aritmica?
A
fluticason
B
fluconazol
C
flucoxaciline
D
flecainide

Slide 34 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bètablokker

Slide 35 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Welke twee functies heeft de bloedstolling? 

Slide 36 - Tekstslide

Voorkomen leegbloeden, infectie preventie
Welke twee functies heeft de bloedstolling?

Slide 37 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Bloedstolling in de vaatwand van een bloedvat kan leiden tot een CVA of hartinfarct.
A
dit is waar
B
dit is niet waar

Slide 38 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke functie heeft vitamine K?
A
Het remt het bloedstollingsmechanisme
B
Het doet niks op het bloedstollingsmechanisme
C
Het activeert het bloedstollingsmechanisme

Slide 39 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Protrombine zorgt ervoor  dat fibrinogeen wordt omgezet in fibrinedraden
Is deze stelling waar of niet waar? 

Slide 40 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is trombose?

Slide 41 - Tekstslide

Bij trombose is er sprake van een bloedstolsel in een bloedvat
Wat is trombose?
timer
1:00

Slide 42 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk geneesmiddel behoort tot de trombocytenaggregatieremmers?
A
Apixaban
B
Acetylsalicylzuur
C
Alteplase
D
Acenocoumarol

Slide 43 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is waar over acenocoumarol:
A
Behoort tot de subgroep DOAC's
B
Miconazol crème mag je niet gebruiken als je acenocoumarol gebruikt
C
mailen naar de huisarts bij interacties met andere geneesmiddelen
D
Innametijdstip is om 8u in de ochtend.

Slide 44 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Remmen een van de stollingsfactoren
remmen de hechting van bloedplaatjes op de vaatwand
blokkeert het aangrijpingspunt van vit. K -> geen protrombine -> bloedstolling komt niet opgang. 
DOAC's
trombocytenaggregatie
remmers
anticoagulantia

Slide 45 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies