H6 B5 (3 BK)

Aanpassingen bij dieren
1 / 11
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmbo b, k, gLeerjaar 3

In deze les zitten 11 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Aanpassingen bij dieren

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Planning
Nakijken
Leerdoelen
Uitleg
Aan de slag
Afsluiten

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Nakijken blz 95

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
Aan het einde van de les weet je..


Waarom en hoe dieren zich aanpassen.


Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Waterdieren
Gestroomlijnd: de weerstand tussen het dier en het water is zo min mogelijk. Zo gebruiken ze zo min mogelijk energie.
Schutkleuren: lichtere buik zodat ze van onder en bovenaf minder opvallen voor roofdieren.

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Landieren
Landzoogdieren: zoogdieren die op het land leven.
hebben aangepaste poten Zoolgangers lopen op hun hele voetzool. Teengangers lopen op hun tenen. Hoefgangers lopen op de toppen van hun tenen.


Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Landieren
Steltlopers kunnen met hun lange poten droog blijven in ondiep water.
De tenen zijn lang waardoor de vogel niet wegzakt.
Roofvogels kunnen met hun poten hun prooi vastpakken.
Zangvogels kunnen met hun poten takken omklemmen.
Watervogels kunnen met hun poten (zwemvliezen) peddelen.


Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Landieren
Steltlopers kunnen met een priemsnavel bodemdiertjes uit de grond prikken.
Roofvogels kunnen niet een haaksnavel een prooi in stukken scheuren.
Zangvogels kunnen met een kegelsnavel harde zaden kraken.
Zangvogels kunnen met een pincetsnavel insecten vangen.
Watervogels kunnen met een zeefsnavel plantjes en diertjes uit het water zeven.

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opdrachten blz   101                         Zorg dat je 14 bloemen maakt
1 bloem: 5
2 bloemen:1,2,3,4,6,7
3 bloemen : 7
Gestroomlijnd: de weerstand tussen het dier en het water is zo min mogelijk. Zo gebruiken ze zo min mogelijk energie.
Schutkleuren: lichtere buik zodat ze van onder en bovenaf minder opvallen voor roofdieren.
Landzoogdieren: zoogdieren die op het land leven. Hun poten, vacht en oren zijn aangepast.
Zoolgangers lopen op hun hele voetzool. Teengangers lopen op hun tenen. Hoefgangers lopen op de toppen van hun tenen.
Steltlopers kunnen met hun lange poten droog blijven in ondiep water. De tenen zijn lang waardoor de vogel niet wegzakt.
Roofvogels kunnen met hun poten hun prooi vastpakken.
Zangvogels kunnen met hun poten takken omklemmen.
Watervogels kunnen met hun poten (zwemvliezen) peddelen.
Steltlopers kunnen met een priemsnavel bodemdiertjes uit de grond prikken.
Roofvogels kunnen niet een haaksnavel een prooi in stukken scheuren.
Zangvogels kunnen met een kegelsnavel harde zaden kraken.
Zangvogels kunnen met een pincetsnavel insecten vangen.
Watervogels kunnen met een zeefsnavel plantjes en diertjes uit het water zeven.

Slide 9 - Tekstslide

14 bloemen

Opdrachten blz   101                         Zorg dat je 14 bloemen maakt
1 bloem: 5
2 bloemen:1,2,3,4,6,7
3 bloemen : 7

Steltlopers kunnen met een priemsnavel bodemdiertjes uit de grond prikken.
Roofvogels kunnen niet een haaksnavel een prooi in stukken scheuren.
Zangvogels kunnen met een kegelsnavel harde zaden kraken.
Zangvogels kunnen met een pincetsnavel insecten vangen.
Watervogels kunnen met een zeefsnavel plantjes en diertjes uit het water zeven.

Slide 10 - Tekstslide

14 bloemen

Afsluiting

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies