Week 4 herhaling leestekens

Wat gaan we doen vandaag?
Herhaling leestekens
Maken methode:
 Schrijven: 1.1 en 1.2
Taalverzorging: 3.1, 3.2 en 3.3
Inhalen toets indien nodig.

1 / 12
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 12 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Wat gaan we doen vandaag?
Herhaling leestekens
Maken methode:
 Schrijven: 1.1 en 1.2
Taalverzorging: 3.1, 3.2 en 3.3
Inhalen toets indien nodig.

Slide 1 - Tekstslide

welke leestekens ken je?

Slide 2 - Woordweb

mag ik aub de suiker van u
A
Mag ik aub de suiker van u.
B
Mag ik a.u.b. de suiker van u.
C
Mag ik aub de suiker van u?
D
Mag ik a.u.b. de suiker van u?

Slide 3 - Quizvraag

richard zei ik lust geen ijsje
A
Richard zei: "ik lust geen ijsje."
B
richard zei: "Ik lust geen ijsje."
C
Richard zei: "Ik lust geen ijsje."
D
Richard zei; "Ik lust geen ijsje."

Slide 4 - Quizvraag

als jij een film uitzoekt maak ik het eten klaar



A
Als jij een film uitzoekt maak, ik het eten klaar.
B
Als jij een film uitzoekt, maak ik het eten klaar.
C
Als jij een film uitzoekt maak ik het eten klaar.
D
Als jij een film, uitzoekt maak ik het eten klaar.

Slide 5 - Quizvraag

ik wil dat jullie nu een antwoord geven
A
Ik wil dat jullie nu een antwoord geven?
B
Ik wil dat jullie nu een antwoord geven.
C
Ik wil dat jullie nu een antwoord geven!
D
Ik wil dat jullie nu een antwoord geven!.

Slide 6 - Quizvraag

oma kunt u mij de stroop aangeven
A
Oma? Kunt u mij de stroop aangeven?
B
Oma. Kunt u mij de stroop aangeven?
C
Oma, kunt u mij de stroop aangeven.
D
Oma, kunt u mij de stroop aangeven?

Slide 7 - Quizvraag

wat lijkt je leuker een vis een hond of een kat
A
Wat lijkt je leuker een vis, een hond of een kat?
B
Wat lijkt je leuker: een vis, een hond, of een kat?
C
Wat lijkt je leuker: een vis een hond, of een kat?
D
Wat lijkt je leuker: een vis, een hond of een kat?

Slide 8 - Quizvraag

je kunt twee dingen doen wel of niet leren voor je examen
A
Je kunt twee dingen doen: "Wel of niet leren voor je examen."
B
Je kunt twee dingen doen; wel of niet leren voor je examen.
C
Je kunt twee dingen doen: wel of niet leren voor je examen.
D
Je kunt twee dingen doen. Wel of niet leren voor je examen.

Slide 9 - Quizvraag

Hoeveel hoofdletters moeten in de zin: rob jansen gaat iedere maand naar texel voor zijn werk.
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 10 - Quizvraag

Antwoord C: 3
Rob Jansen gaat iedere maand naar Texel voor zijn werk.

Slide 11 - Tekstslide

Aan de slag 
Maken methode:
 Schrijven: 1.1 en 1.2
Taalverzorging: 3.1, 3.2 en 3.3
Inhalen toets indien nodig.

Slide 12 - Tekstslide