Herhaling Cursus 1 Meer dan lezen 1hv

Herhaling Cursus 1 
Meer dan Lezen

1D
1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo b, k, tLeerjaar 1

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Herhaling Cursus 1 
Meer dan Lezen

1D

Slide 1 - Tekstslide

Onderwerp
Een tekst heeft altijd een onderwerp

Je leest de tekst oriënterend om het onderwerp te weten te komen.

Geef in 1 of een paar woorden antwoord op de vraag: waar gaat deze tekst over?


Slide 2 - Tekstslide

Oriënterend lezen
Kijk naar
Titel
Afbeeldingen (illustraties)
Tussenkopjes
Woorden in vet/schuin/kleur/GROOT
Woorden die vaker herhaald worden
Lees
De inleiding (eerste stukje tekst, vaak 1 of 2 alinea's)

Slide 3 - Tekstslide

Wat is het onderwerp van een tekst? Het onderwerp van een tekst...
A
... vertelt in 1 woord of een paar woorden waar de tekst over gaat.
B
... vertelt wat het belangrijkste van de tekst is.
C
... vertelt wat iemand ergens van vindt.
D
... vertelt wat waar of niet waar is.

Slide 4 - Quizvraag

Bij oriënterend lezen . . . .
A
lees je de eerste tot en met de laatste zin van de tekst
B
bekijk je de tekst en lees je de inleiding
C
lees je de eerste en laatste zin van elke alinea
D
zoek je alleen het stuk tekst dat je nodig hebt

Slide 5 - Quizvraag

Wat is het onderwerp van de tekst?
Wat is het onderwerp van de tekst?
A
het Schotse eiland Skye
B
gevonden pootafdrukken van dino's
C
wetenschappers in Schotland
D
dino's leefden in een gezin

Slide 6 - Quizvraag

Hoofdgedachte
Naast een onderwerp heeft elke tekst een hoofdgedachte.

Je leest de tekst precies om de hoofdgedachte te weten te komen.

Geef in 1 zin antwoord op de vraag: wat is het belangrijkste dat in deze tekst over het onderwerp wordt gezegd?


Slide 7 - Tekstslide

Hoofdgedachte
1. Bepaal het onderwerp.
2. Lees de tekst precies.
3. Kijk aan begin en einde tekst of daar
    de hoofdgedachte staat.
4. Geef in 1 zin antwoord op de vraag:
     wat is het belangrijkste dat in deze
     tekst over het onderwerp wordt gezegd?

Slide 8 - Tekstslide

Precies lezen
Kijk naar
/
Lees
De tekst goed van eerste tot laatste zin.

Slide 9 - Tekstslide

Wat betekent het woord hoofdgedachte?
A
De belangrijkste zin van een alinea.
B
Het onderwerp van de tekst.
C
Een uitspraak waar je het wel of niet mee eens bent.
D
Het belangrijkste wat over het onderwerp wordt gezegd in één zin.

Slide 10 - Quizvraag

De hoofdgedachte is altijd...
A
een woord
B
een zin
C
een woord of een zin

Slide 11 - Quizvraag

De hoofdgedachte...
A
staat altijd in de inleiding.
B
staat altijd in het slot.
C
moet je altijd zelf bedenken.
D
staat vaak in de inleiding of het slot.

Slide 12 - Quizvraag

Tekstdoelen
  • Een schrijver wil iets bereiken met zijn tekst. Hij heeft een tekstdoel.
  • Er zijn verschillende tekstdoelen:
  1. Informeren
  2. Instrueren
  3. Overtuigen
  4. Activeren
  5.  Activeren

Slide 13 - Tekstslide

Tekstdoelen en tekstsoorten

Slide 14 - Tekstslide

Alinea's
  • Een tekst is meestal verdeeld in alinea's
  • Zinnen die bij elkaar horen.
  • Zinnen die over hetzelfde deelonderwerp gaan.

Slide 15 - Tekstslide

Alinea
- Begint altijd op een nieuwe regel.
- Zinnen die 1 alinea vormen staan achter elkaar, zonder nieuwe    regels. 
- Soms springt de eerste regel van de alinea in.
- Soms begint de nieuwe alinea na een witregel.

Slide 16 - Tekstslide

De kernzin
- De belangrijkste zin van een alinea.
- Vaak de eerste of de laatste zin van de alinea.






Slide 17 - Tekstslide

Alinea’s en kernzinnen
Een tekst is meestal verdeeld in alinea’s. Een alinea bestaat uit:
A
twee zinnen.
B
een inleiding, een kern en een slot.
C
een aantal zinnen die bij elkaar horen, omdat ze over hetzelfde onderwerp gaan.
D
een paar plaatjes, zinnen en tussenkopjes die over hetzelfde onderwerp gaan.

Slide 18 - Quizvraag

Wat is een kernzin?
A
De kernzin is de titel van een alinea
B
De kernzin is de langste zin van een alinea
C
De kernzin geeft het belangrijkste van een alinea
D
De kernzin geeft de bijzaken van een alinea

Slide 19 - Quizvraag

Wat is GEEN kenmerk van een alinea?
Een alinea
A
Een alinea begint op een nieuwe regel
B
Een alinea heeft altijd een titel
C
Een alinea vertelt iets over een deelonderwerp van de tekst
D
Een alinea laat de regel inspringen

Slide 20 - Quizvraag

Inleiding, middenstuk, slot

Slide 21 - Tekstslide

Inleiding
Eerste deel van de tekst, meestal 1 of 2 alinea's.

Kennismaking met het onderwerp

Vaak met een voorbeeld of grappig verhaaltje (anekdote).

Maakt nieuwsgierig naar de rest van de tekst.

Slide 22 - Tekstslide

Middenstuk
Grootste gedeelte van de tekst.

Meeste informatie.

Meestal meerdere losse stukjes tekst (alinea's).

Alles tussen inleiding en slot.

Slide 23 - Tekstslide

Slot
Laatste stukje van de tekst.

Vaak een korte herhaling van het belangrijkste uit de tekst of blik naar de toekomst.

Veel teksten hebben geen duidelijke inleiding of slot. Bij nieuwsberichten vaak geen slot.

Slide 24 - Tekstslide

De inleiding is het
A
begin van de tekst
B
midden van de tekst
C
einde van de tekst

Slide 25 - Quizvraag

In het middenstuk
A
wordt het belangrijkste uit een tekst herhaald
B
staat de meeste informatie
C
maak je kennis met het onderwerp van een tekst

Slide 26 - Quizvraag

In het slot
A
wordt het belangrijkste uit een tekst herhaald
B
staat de meeste informatie
C
maak je kennis met het onderwerp van de tekst

Slide 27 - Quizvraag

Wat is de functie van de inleiding?
(welk doel heeft een inleiding)
A
Kennismaken met het onderwerp.
B
Samenvatting geven van de tekst.
C
Deelonderwerpen bespreken.
D
Vooruitkijken naar de toekomst.

Slide 28 - Quizvraag

Het middenstuk van de tekst bestaat meestal uit
A
1 alinea
B
meerdere alinea's

Slide 29 - Quizvraag

Deelonderwerpen
Het middenstuk van een tekst bestaat uit meer alinea's
Hierin worden verschillende deelonderwerpen behandeld. 
Een deelonderwerp kan 1 of meer alinea's beslaan.
Soms staat er een tussenkopje boven een nieuw deelonderwerp.

Voorbeeld: Een tekst gaat over het onderwerp 'sport'
dan kunnen deelonderwerpen bijvoorbeeld 'hockey', 'tennis' en 'voetballen' zijn. 

Slide 30 - Tekstslide

Globaal lezen
Bedenk welke alinea's over hetzelfde door deelonderwerp gaan.
Kijk naar
/
Lees
De eerste en laatste zin van iedere alinea.

Slide 31 - Tekstslide

Een deelonderwerp is....
A
Waar de tekst over gaat
B
Waar een stukje tekst over gaat

Slide 32 - Quizvraag

Om de deelonderwerpen te vinden lees je de tekst..
A
Oriënterend
B
Globaal
C
Precies

Slide 33 - Quizvraag

Globaal lezen is...
A
Alles doorlezen van begin tot eind
B
De eerste en laatste zin van iedere alinea lezen

Slide 34 - Quizvraag

Deelonderwerpen staan in..
A
Inleiding
B
Slot
C
Middenstuk
D
Conclusie

Slide 35 - Quizvraag

Zelfstandig werken

Slide 36 - Tekstslide