Passé composé HV3

Le programme d'aujourd'hui 

Passé composé avec auxiliaire avoir ou être

 
1 / 34
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 34 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Le programme d'aujourd'hui 

Passé composé avec auxiliaire avoir ou être

 

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Sleep de vervoegingen naar het juiste vakje
Passé composé
Geen passé composé
Je fais
Il parle
Il a parlé
Nous avons regardé
J'ai fait
Nous regardons

Slide 4 - Sleepvraag

Caroline _________ au cinéma
(aller-passé composé.)

Slide 5 - Open vraag

Elle _____ (rester, passé composé )

Slide 6 - Open vraag

Wat is de passé composé?
Geef een voorbeeld van een zin in het Nederlands

Slide 7 - Open vraag

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Ik heb gereisd
(voyager)
A
J'ai voyager
B
Tu as voyagu
C
Tu as voyagé
D
J'ai voyagé

Slide 11 - Quizvraag

Hij heeft gekozen
(choisir)
A
il a choisi
B
tu as choisi
C
il a choisu
D
tu as choisir

Slide 12 - Quizvraag

Wij hebben gepraat
(parler)
A
Ils ont parlé
B
Nous avons parli
C
Nous avons parlé
D
Vous avez parlu

Slide 13 - Quizvraag

Zij heeft gewacht
(attendre)
A
Elle a attendu
B
Elle a attendé
C
Tu as attendre
D
Nous avons attendi

Slide 14 - Quizvraag

Slide 15 - Tekstslide

Avoir: jij hebt gehad

Slide 16 - Open vraag

Slide 17 - Tekstslide

Faire: hij heeft gedaan/gemaakt

Slide 18 - Open vraag

Slide 19 - Tekstslide

Être: U bent geweest

Slide 20 - Open vraag

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide

Je ( choisir - passé composé)

Slide 23 - Open vraag

passé composé
vous ....... ........ (zijn)

Slide 24 - Open vraag

(être, passé composé) Nous ..................
(faire, passé composé) Elles ......................

Slide 25 - Open vraag

(avoir, passé composé) elle ..................
(vendre, passé composé) Juliette ........

Slide 26 - Open vraag

choisir, je (passé composé)

Slide 27 - Open vraag

aller, passé composé:
elle ...

Slide 28 - Open vraag

Remplis le bon verbe.
Ils (rester, passé composé) ici.

Slide 29 - Open vraag

Elles - aller - passé composé

Slide 30 - Open vraag

Wat is een passé composé?
A
tegenwoordige tijd
B
verleden tijd (met hww)
C
toekomende tijd
D
verleden tijd (zonder hww)

Slide 31 - Quizvraag

-er        j'ai parl


-ir         j'ai grand


-re        j'ai perd
Wat zijn de uitgangen in de passé composé?
i
é
u

Slide 32 - Sleepvraag

passé composé
il/elle/on
ils
tu
j'
sont allés
ai fait
a fait 
es allé(e)

Slide 33 - Sleepvraag

Tekst
Het werkwoord tomber vervoeg je in de passé composé met......
Het werkwoord chanter vervoeg je in de passé composé met....
Verreweg de meeste werkwoorden die in het Nederlands vervoegt met zijn, vervoeg je in het Frans met....
Het werkwoord avoir vervoeg je met....
Eén belangrijke uitzondering op die regel heb je geleerds in unité 1: het werkwoord être vervoeg je met....
être
avoir
être
avoir
avoir

Slide 34 - Sleepvraag