Ziekteleer algemeen

 Ziekteleer 
30 vragen.

1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
DierverzorgingMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

 Ziekteleer 
30 vragen.

Slide 1 - Tekstslide

1: Welke stelling over micro-organismen is waar?
A
Alle micro-organismen zijn met het blote oog zichtbaar
B
Sommige micro-organismen zijn met het blote oog zichtbaar
C
Micro-organismen zijn zo klein, dat je ze alleen onder een microscoop kan zien.

Slide 2 - Quizvraag

2: Welke stelling over micro-organismen is waar?
A
Alle micro-organismen zijn schadelijk voor ons en onze dieren
B
Sommige micro-organismen zijn schadelijk, anderen beschermen ons juist
C
Micro-organismen zijn niet schadelijk voor ons en onze dieren

Slide 3 - Quizvraag

Bron: LessonUp afbeeldingen
Schimmels
Virussen
Parasieten
Bacteriën

Slide 4 - Sleepvraag

4: Wat is een voorbeeld van indirecte besmetting?
A
Je hebt een cavia met schimmel vastgehouden, nu heb je zelf ook schimmel
B
Een kat met katten aids bijt een andere kat en draagt zo de ziekte over
C
Een hond heeft wormen gekregen, door het eten van poep van een andere hond

Slide 5 - Quizvraag

5: Op welke manieren kun je besmet worden met een ziekteverwekker?
A
Via de huid
B
Via de lucht
C
Via besmet voedsel of water
D
Via oogslijmvlies of traanvocht

Slide 6 - Quizvraag

6: Wat kan je bij een antibiotica kuur het beste doen?
A
Iets over-doseren
B
Iets onder-doseren
C

Slide 7 - Quizvraag

7: Wat zijn de nadelen van een antibiotica kuur?
A
Je dier kan bijwerkingen krijgen zoals diarree of huidproblemen
B
Goede bacteriën (zoals bijvoorbeeld in de darmen) gaan ook dood
C
Bacteriën kunnen immuun worden voor antibiotica bij lang gebruik

Slide 8 - Quizvraag

Sleep de ziekte naar de juiste veroorzaker:
Parasiet
Bacterie
Virus
Schimmel
Lintworm
Salmonella
Rhinopneunomie 
Ringworm

Slide 9 - Sleepvraag

9: Schimmels zijn erg besmettelijk, zowel via de lucht als bij direct/indirect contact
A
Waar
B
Niet waar

Slide 10 - Quizvraag

10: Welke stelling over virussen is waar?
A
Virussen kun je bestrijden met een antibiotica kuur
B
Virussen kun je eenvoudig behandelen met medicijnen
C
Virussen zijn lastig met medicijnen te behandelen

Slide 11 - Quizvraag

11: Welke stelling over vaccinaties is waar?
A
Een vaccinatie werkt vaak voor de rest van het leven
B
Een vaccinatie bevat antistoffen tegen bepaalde ziektes
C
Vaccinaties helpen het afweersysteem om sneller een infectie te bestrijden

Slide 12 - Quizvraag

12: Welke stelling over vlooien is waar?
A
Vlooien kun je alleen behandelen met pilletjes of injecties
B
Bij een vlooienplaag behandel je het dier en de omgeving
C
Vlooien zijn niet zichtbaar met het blote oog.

Slide 13 - Quizvraag

13: Je vermoed dat de kat vlooien heeft. Op welke plek kam je de vacht met een vlooienkam om dit te controleren?
A
Plek 1: Boven op het hoofd
B
Plek 2: Op de borst
C
Plek 3: boven op het achterlichaam bij de aanhechting van de staart

Slide 14 - Quizvraag

Sleep de parasietnamen naar de bijbehorende afbeelding.
Mijt
Teek
Luis
Vlo

Slide 15 - Sleepvraag

15: Zowel de luis als de eitjes (neten) zijn goed zichtbaar in de vacht van het dier
A
waar
B
niet waar

Slide 16 - Quizvraag

16: Welke stelling over teken is waar?
A
Teken kunnen verschillende ziektes overdragen bijvoorbeeld de ziekte van Lyme
B
Teken kunnen goed springen. Ze springen vanuit de boomtakken op je dier
C
Teken zijn niet te bestrijden met middelen, je kunt ze alleen verwijderen met een tang.

Slide 17 - Quizvraag

17: Sommige parasieten kun je ook heel goed preventief behandelen

A
Waar
B
Niet waar

Slide 18 - Quizvraag

18: Welke wormsoort leeft in de lever en veroorzaakt leverontsteking
A
Haakworm
B
Leverbot
C
Longworm

Slide 19 - Quizvraag

Spoelworm
Zweepworm
Lintworm

Slide 20 - Sleepvraag

20: Waarom is het belangrijk om jonge kittens goed te ontwormen?
A
Omdat ze veel buiten spelen en daar wormen kunnen oplopen
B
Zodat ze voldoende weerstand opbouwen tegen wormen
C
Omdat ze via de moedermelk besmet kunnen zijn met wormen

Slide 21 - Quizvraag

Ectoparasiet
Endoparasiet
Ctenocephalides felis
Toxocara canis
Ixodes
luizen
Echinococcus multilocularis
Dirofilaria immitis
Demodex
Faciola hepatica

Slide 22 - Sleepvraag

22: Wat is een Zoönose
A
Een ziekte die van dier op mens overgedragen kan worden
B
Een ziekte waarvan het dier niet ziek wordt, maar een mens wel
C
Een infectieziekte bij katten

Slide 23 - Quizvraag


23: Welke mensen hebben de grootste kans om besmet te worden met een zoönose?

A
Oude mensen, zieke mensen, jonge mensen, en zwangere vrouwen
B
Mensen die normaal gesproken nooit met dieren in aanraking komen
C
Mensen die niet gevaccineerd zijn tegen zoönosen
D
Mensen die thuis schapen of geiten houden.

Slide 24 - Quizvraag

24: Welke ziekteverwekkers zijn een zoönose?
A
Rabiës
B
Ringworm
C
Q-fever
D
Ziekte van Weil

Slide 25 - Quizvraag

25: Wat is ringworm?
A
Een worm die in de huid leeft
B
Ringworm is een andere naam voor spoelworm
C
Een schimmelinfectie van de huid

Slide 26 - Quizvraag

26: Wat is voor jou als paraveterinair de belangrijkste manier om een besmetting met zoönosen te voorkomen?
A
Zorgen dat je tegen alle zoönose ingeënt bent
B
Hygiënisch werken en regelmatig je handen wassen
C
Dagelijks bij de dieren schone kleren aantrekken

Slide 27 - Quizvraag

27: Waarom mogen zwangere
vrouwen geen kattenbak schoonmaken zonder handschoenen?
A
In kattenpoep kan de Q-koorts bacterie zitten
B
Ze kunnen besmet raken met de ziekte toxoplasmose
C
Ze kunnen lintworm oplopen, dit is gevaarlijk voor de baby

Slide 28 - Quizvraag

28: Tegen welke ziekte wordt je als kind gevaccineerd en moet je eens in de 10 jaar herhalen, helemaal als je een (bijt)wond oploopt door een dier.
A
Rabiës
B
Tetanus
C
Corona

Slide 29 - Quizvraag

29: Waarom worden bij een vogelgriep besmetting alle vogels in het bedrijf geruimd?
A
Zodat het bedrijf leeg is en goed ontsmet kan worden
B
Omdat alle vogels op het bedrijf sowieso besmet zijn
C
Om te voorkomen dat de ziekte zich verder kan verspreiden

Slide 30 - Quizvraag

Einde

Slide 31 - Tekstslide