In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.
Onderdelen in deze les
Paragraaf 6.2 - Waar zorgt de overheid voor?
Slide 1 - Tekstslide
Leerdoelen & Huiswerk
Uitleg
Samen oefenen
Aan de slag
Proefwerkvraag
Afsluiting
Inhoud
Slide 2 - Tekstslide
Je weet wat collectieve voorzieningen zijn.
Je kan uitleggen wat sociale zekerheid is.
Je weet wat het verschil is tussen de collectieve en particuliere sector.
Leerdoelen& Huiswerk volgende week 6.2
Slide 3 - Tekstslide
Jij kan iedere dag naar school of naar je werk. De overheid heeft dat geregeld.
De overheid regelt heel veel voor ons allemaal. Denk bijvoorbeeld aan parken, speeltuinen en politie.
Een voorziening waar iedereen gebruik van mag maken heet een collectieve voorziening.
Voor ons allemaal
Slide 4 - Tekstslide
Als je klaar bent met school en je hebt een opleiding gedaan, ga je geld verdienen. Maar wat gebeurt er als dat niet lukt?
Mensen met een te laag of geen inkomen kunnen een uitkering krijgen.
Zorg jij voor jezelf?
Slide 5 - Tekstslide
Een uitkering is een voorbeeld van sociale zekerheid.
Deze sociale zekerheid zorgt ervoor dat iedereen in Nederland rond kan komen.
Sociale zekerheid
Slide 6 - Tekstslide
Slide 7 - Video
In Nederland gebruiken veel mensen deze sociale voorzieningen. Dit kost natuurlijk veel geld.
Hoe werkt dat dan?
Slide 8 - Tekstslide
Hoe denken jullie dat deze sociale voorzieningen betaald worden?
Slide 9 - Open vraag
Iedereen die werkt in Nederland betaald een deel van zijn brutoloon aan de overheid. Dit is de belasting en wordt deels gebruikt om andere te ondersteunen.
Dit noemen we ook wel sociale premies.
De belasting
Slide 10 - Tekstslide
Bedrijven die ervoor zorgen dat men gebruik kan maken van collectieve voorzieningen zitten in de collectieve sector.
Deze bedrijven hebben niet als doel om winst te maken.
Collectieve sector
Slide 11 - Tekstslide
Bedrijven die wel geld willen verdienen werken in de particuliere sector.
Deze bedrijven bieden diensten of producten aan tegen betaling en proberen dus winst te maken.
particuliere sector
Slide 12 - Tekstslide
Noem eens een voorbeeld van een collectieve voorziening.
Slide 13 - Open vraag
LessonUp Quiz
Laptops open
Inloggen
Lezen van de vragen
Vragen beantwoorden
Alleen en gekke namen worden verwijderd.
Slide 14 - Tekstslide
Een ouderenopvangtehuis is een voorbeeld van een bedrijf is de........
A
Collectieve sector
B
Particuliere sector
Slide 15 - Quizvraag
Noem 2 voorbeelden van infrastructuur.
Slide 16 - Open vraag
De overheid van Nederland is:
A
Het Rijk
B
Provincie
C
Gemeente
D
Alle antwoorden zijn goed
Slide 17 - Quizvraag
Wie zorgt er voor het onderhouden van de dijken?
A
De gemeente
B
De provincie
C
De Rijksoverheid
D
Tata Steel
Slide 18 - Quizvraag
Wie zorgt er voor het Openbaar Vervoer?
A
De gemeente
B
De provincie
C
De Rijksoverheid
D
TCA
Slide 19 - Quizvraag
Wie zorgt er voor drinkwatervoorziening?
Gemeente
Provincie
Het Rijk
Slide 20 - Poll
Wie regelt het elektriciteitnetwerk?
Gemeente
Provincie
Het Rijk
Slide 21 - Poll
Wie regelt het onderwijs?
Gemeente
Provincie
Het Rijk
Slide 22 - Poll
Wie zorgt er voor het ophalen van afval?
Gemeente
Provincie
Het Rijk
Slide 23 - Poll
Snowworld in Velsen is een voorbeeld van een collectieve voorziening.
A
juist
B
fout
Slide 24 - Quizvraag
Het Dalicollege een voorbeeld van een collectieve voorziening.
A
juist
B
fout
Slide 25 - Quizvraag
De brandweer in Heemskerk is een voorbeeld van een collectieve voorziening.
A
juist
B
fout
Slide 26 - Quizvraag
Wat zijn ambtenaren ?
A
De overheid
B
Personen die werken voor de overheid
C
De personen waarvoor de overheid werkt
D
Personen die voor Tata Steel werken
Slide 27 - Quizvraag
Wie regelt dat er een sportparkje in een dorp komt?
A
De Rijksoverheid
B
De Provincie
C
De Gemeente
Slide 28 - Quizvraag
Wie zorgt voor schoon drinkwater?
A
De Rijksoverheid
B
De Provincie
C
De Gemeente
Slide 29 - Quizvraag
Aan de slag!
WAT? Maak opdrachten 6.2
HOE? Op papier, in je boek
MET WIE? Alleen of met z'n 2-en
GELUID? Fluistertoon
Vragen? Check eerst het boek, daarna vingers
TIJD? 20 minuten
KLAAR? Ga verder met de rekenopdrachten (blz 202 ev)