week 31 Formuleren

week 31 Formuleren
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo t, havoLeerjaar 1

In deze les zitten 31 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

week 31 Formuleren

Slide 1 - Tekstslide

Welkom th1b!
Ga lekker zitten en pak: 
 - je schrift en pen
  - je leesboek - start al met lezen
 - je leerwerkboek Nieuw Nederlands
 
Je laptop blijft nog in je tas. 
Je zit volgens de plattegrond.










maandag 30 september 2024
maandag 31 maart 2025

Slide 2 - Tekstslide

Lezen in je leesboek
Je leest 15 minuten in stilte.

Na afloop kun je een vraag krijgen over wat je gelezen hebt. 
timer
10:00

Slide 3 - Tekstslide

Aan het einde van deze les:
  • kun je bepalen of een zelfstandig naamwoord mannelijk, vrouwelijk of onzijdig is.
  • Je kunt nu op de juiste manier verwijzen de verwijswoorden die, deze dit of dat gebruiken
  • Je kunt nu op de juiste manier naar mannelijk, vrouwelijk of onzijdige zelfstandige naamwoorden verwijzen.



Planning van deze les :
  •  lezen in je leesboek -  10 min
  • Taalvoutje
  • korte herhaling theorie §2 mannelijk, vrouwelijk en onzijdig en samen opdrachten maken
  • uitleg over §3 verwijswoorden (die, deze, dit en dat)
Tweede uur:
  • opdrachten maken §3 
  • uitleg over boekbespreking

Slide 4 - Tekstslide

Taalvoutje van de week
Ik. snap. er heel veel. van. 

Slide 5 - Tekstslide

Herhaling §2 Mannelijk, vrouwelijk of onzijdig
In onze taal hebben zelfstandige naamwoorden een geslacht: mannelijk, vrouwelijk of onzijdig. Dit heet het woordgeslacht.

De mannelijke en vrouwelijke woorden krijgen het lidwoord de. Je moet meestal wel in het woordenboek opzoeken of een woord mannelijk of vrouwelijk is.

De onzijdige woorden krijgen het lidwoord het.
het cadeau, het meisje, het lokaal

Slide 6 - Tekstslide

De - woorden
(mannelijk, vrouwelijk en meervoud)
de leraar, de vrouw, de vrouwen

Die + Deze
die leraar, deze leraar
die vrouw, deze vrouw
die vrouwen, deze vrouwen
Het - woorden
(onzijdig)
het meisje

Dit + Dat
dit meisje, dat meisje

Slide 7 - Tekstslide

Hoe herken je mannelijke, vrouwelijke of onzijdige woorden?
Door het op te zoeken in het woordenboek!

ook digitaal... www.vandale.nl

Slide 8 - Tekstslide

Zelf aan de slag
WAT?           Maak samen opdrachten 1 t/m 6 van §2 

HOE              In groepjes, draai twee tafels. Op je laptop of in je boek of                                          schrift: cursus 6 Formuleren, §2 / blz. 221 in je boek                  
HULP?         Lees de theorie blz. 220 of online bij §2
TIJD              10 minuten. Dan kort bespreken.
KLAAR?       Maak opdracht 1 en 2 van §3 verwijswoorden


KLAAR?           


timer
10:00

Slide 9 - Tekstslide

Verwijswoorden vervangen woorden die eerder zijn genoemd.

Je kunt verschillende verwijswoorden tegenkomen of gebruiken.
In deze les behandelen we de volgende vier  verwijswoorden in §3.

die - deze - dat - dit

Nu volgt een filmpje van Nieuw Nederlands over verwijswoorden.

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Link

§3 Verwijswoorden
Met een verwijswoord verwijs je meestal terug naar een woord dat eerder genoemd is.
Naar de-woorden  (mannelijk, vrouwelijk en meervoud) wijs je terug met deze en die
  • Rob kocht een kano, die hij op Marktplaats had gezien 
  • (die -> kano)
  • Groep 7 heeft een nieuwe juf, deze start vandaag 
  • (deze -> juf) 

Mannelijk of vrouwelijk? Kijk in het (online) woordenboek.



Slide 12 - Tekstslide

§3 Verwijswoorden
Naar het-woorden (onzijdig) wijs je terug met dit en dat.
  • Bedankt voor het cadeau. Dat wilde ik graag hebben 
  • (dat -> cadeau).
  • Het huis is nu van mij, ik heb dit gekocht 
  • (dit -> huis)

Het woord dat kan ook naar een hele zin verwijzen:
De stroom viel uit, dat zorgde voor een donkere avond (dat -> De stroom viel uit,)

Slide 13 - Tekstslide

Verwijswoorden samengevat
Kies het juiste verwijswoord:






mannelijk/vrouwelijk? Kijk in het woordenboek.
het-woorden (onzijdig)
dat, dit
de-woorden (mannelijk)
die, deze
de-woorden (vrouwelijk)
die, deze
meervoud
die, deze

Slide 14 - Tekstslide

Vijf minuten pauze!
Je mag even rondlopen, naar de wc gaan. 

Slide 15 - Tekstslide

Samen aan de slag
WAT?           We doen opdrachten 1  t/m 3 van §3 Verwijswoorden 

HOE             Doe mee op je laptop of in je boek: cursus 6                                              Formuleren, §3 / blz. 222-223 in je boek                  
HULP?         Lees de theorie blz. 223 of online bij §3
TIJD              10 minuten. 
KLAAR?       Maak opdracht 4  t/m 6 van §3


KLAAR?           


timer
10:00

Slide 16 - Tekstslide

Evaluatie
  • Je kunt nu op de juiste manier verwijzen de verwijswoorden die, deze dit of dat gebruiken 
  • Je kunt nu op de juiste manier naar mannelijk, vrouwelijk of onzijdige zelfstandige naamwoorden verwijzen.

Volgende les woensdag 2 april:
  • Huiswerk: maak opdracht 2 t/m 6 van §3 af op je laptop of in je boek
  • Je leert over §4 Trappen van vergelijking

 

Slide 17 - Tekstslide

Welkom th1a!
Ga lekker zitten en pak: 
 - je schrift en pen
  - je leesboek - start al met lezen
 - je leerwerkboek Nieuw Nederlands
 
Je laptop blijft nog in je tas. 
Je zit volgens de plattegrond.










maandag 30 september 2024
woensdag 2 april 2025

Slide 18 - Tekstslide

Lezen in je leesboek
Je leest 10 minuten in stilte.

Na afloop kun je een vraag krijgen over wat je gelezen hebt. 
timer
10:00

Slide 19 - Tekstslide

Aan het einde van deze les:
  • kun je benoemen wat de stellende trap, de vergrotende trap en de overtreffende trap zijn.
  • kun je de trappen van vergelijking goed gebruiken in combinatie met als en dan;

woensdag 9 april s.o. - telt 1 x



Planning van deze les :
  • lezen in je leesboek -  10 min
  • huiswerk bespreken
  • korte herhaling theorie Formuleren §3 Verwijswoorden (die, deze, dit en dat)
  • Uitleg theorie Formuleren §4
     Trappen van vergelijking


Slide 20 - Tekstslide

Herhaling §3 Verwijswoorden
Met een verwijswoord verwijs je meestal terug naar een woord dat eerder genoemd is.
Naar de-woorden  (mannelijk, vrouwelijk en meervoud) wijs je terug met deze en die
  • Rob kocht een kano, die hij op Marktplaats had gezien (die -> kano)
  • Groep 7 heeft een nieuwe juf, deze start vandaag (deze -> juf) 

Mannelijk of vrouwelijk? Kijk in het (online) woordenboek.



Slide 21 - Tekstslide

Herhaling §3 Verwijswoorden
Naar het-woorden (onzijdig) wijs je terug met dit en dat.
  • Bedankt voor het cadeau. Dat wilde ik graag hebben (dat -> cadeau).
  • Het huis is nu van mij, ik heb dit gekocht (dit -> huis).

Het woord dat kan ook naar een hele zin verwijzen:
De stroom viel uit, dat zorgde voor een donkere avond 
(dat -> De stroom viel uit,)

Slide 22 - Tekstslide

Verwijswoorden samengevat
Kies het juiste verwijswoord:







het-woorden (onzijdig)
dat, dit
de-woorden (mannelijk)
die, deze
de-woorden (vrouwelijk)
die, deze
meervoud
die, deze

Slide 23 - Tekstslide

§4 Trappen van vergelijking
Lees nu eerst zelf de theorie op blz. 224 in je leerwerkboek. Online bij cursus 6 Formuleren, §4 Trappen van vergelijking.

Slide 24 - Tekstslide

§4 Trappen van vergelijking
Bijvoeglijke naamwoorden hebben drie trappen van vergelijking
  • De stellende trap - dik, lief.
  • De vergrotende trap - dikker, liever. Die eindigt op -er.
      Een woord dat op -r eindigt, krijgt -der : duurder
  • De overtreffende trap - dikst(e), liefst(e). Die eindigt op -st(e)
      Een woord dat al eindigt op -st of -sch krijgt het woord meest ervoor, anders is de uitspraak lastig: enthousiast- meest enthousiast, fantastisch - meest fantastisch

Slide 25 - Tekstslide

§4 Trappen van vergelijking
Let op: 
  • Een woord dat eindigt op -r, krijgt in de vergrotende trap -der: zuur - zuurder, donker - donkerder.
  • Een woord dat eindigt op -s -> in de overtreffende trap een -t: fors-forser-forst
  • Een woord dat eindigt op -st of -sch -> in de overtreffende trap meest ervoor, anders is de uitspraak lastig: enthousiast- meest enthousiast, fantastisch - meest fantastisch

Slide 26 - Tekstslide

§4 Trappen van vergelijking
Let op: 
De woorden goed, graag, veel en weinig hebben een afwijkende vergrotende trap.
  • goed - beter - best
  • graag - liever - liefst
  • veel - meer - meest
  • weinig - minder - minst

Slide 27 - Tekstslide

§4 Trappen van vergelijking
Na de trappen van vergelijking: als of dan?
  • Mijn buurjongen is net zo groot als ik (als na stellende trap)
  • Een gorilla is veel sterker dan een mens (dan na een vergrotende trap)

Welk woord er na als of dan komt, hoor je als je de zin aanvult met de pv:
 - Femke is even oud als ik (ben).
- Ricardo kan sneller lopen dan ik (kan) met mijn zere knie.
- Hester vindt jou aardiger dan (ze) mij (vindt).


Slide 28 - Tekstslide

§4 Trappen van vergelijking
Hoeveel zinnen zijn er fout geformuleerd?
  • Jij bent beter in wiskunde als ik.
  • Je wordt beter als je veel oefent.
  • Mijn broertje is een paar levels verder bij zijn spel als jij.
  • Deze tulpen vind ik net zo mooi als die narcissen.
  • Tijdens het atletiektoernooi sprong Sietse verder dan Kees.
  • Mijn boek was leuker als jouw boek.

Slide 29 - Tekstslide

Zelf aan de slag
WAT?           Maak opdrachten 1  t/m 5  van §4 Trappen van vergelijking
HOE             op je laptop of in je boek: cursus 6 Formuleren, §4 /
                       blz. 224-225 in je boek                  
HULP?         Lees de theorie blz. 224 of online bij §4
TIJD              10 minuten. 
KLAAR?       Maak opdracht  6 van §4
           



timer
10:00

Slide 30 - Tekstslide

Evaluatie
  • je kunt de trappen van vergelijking goed gebruiken in combinatie met
  • als en dan;
  • je kunt benoemen wat de stellende trap, de vergrotende trap en de overtreffende trap zijn.

Volgende les donderdag 3 april:
  • Huiswerk: maak opdracht van §4 Trappen van vergelijking af op je laptop of in je boek.

 

Slide 31 - Tekstslide