Klas 1 - herhaling Unit 2

Klas 1 - herhaling Unit 2
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvmbo b, k, mavoLeerjaar 1

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Klas 1 - herhaling Unit 2

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Geef de meervoudsvorm van:
lady

Slide 3 - Open vraag

Geef de meervoudsvorm van:
man

Slide 4 - Open vraag

Geef de meervoudsvorm van:
egg

Slide 5 - Open vraag

Geef de meervoudsvorm van:
hobby

Slide 6 - Open vraag

Geef de meervoudsvorm van:
box

Slide 7 - Open vraag

Geef de meervoudsvorm van:
foot

Slide 8 - Open vraag

Geef de meervoudsvorm van:
knife

Slide 9 - Open vraag

Slide 10 - Tekstslide

... dish in front of me smells very nice.
A
This
B
That
C
These
D
Those

Slide 11 - Quizvraag

I really like ... trousers you're wearing.
A
This
B
That
C
These
D
Those

Slide 12 - Quizvraag

Do you know ... girl over there?
A
This
B
That
C
These
D
Those

Slide 13 - Quizvraag

Could you pass me ... magazine?
A
This
B
That
C
These
D
Those

Slide 14 - Quizvraag

Look over here. What do you think of ... shoes?
A
This
B
That
C
These
D
Those

Slide 15 - Quizvraag

Is ... your brother outside?
A
This
B
That
C
These
D
Those

Slide 16 - Quizvraag

I love your new earrings. ... are great!
A
This
B
That
C
These
D
Those

Slide 17 - Quizvraag

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

Wat moet er op de ___ staan?
(+) We ___ (to give) my sister a candy.

Slide 22 - Open vraag

Wat moet er op de ___ staan?
(+) We ___ (to play) volleyball on Mondays.

Slide 23 - Open vraag

Wat moet er op de ___ staan?
(+) Her brother ___ (to study) history.

Slide 24 - Open vraag

Wat moet er op de ___ staan?
(+) You ___ (to try) to go running as often as you can.

Slide 25 - Open vraag

Wat moet er op de ___ staan?
(+) That skirt ___ (to go) very well with your blouse.

Slide 26 - Open vraag

Wat moet er op de ___ staan?
(-) Katie ____ (to like) playing tennis.

Slide 27 - Open vraag

Wat moet er op de ___ staan?
(?) ____ they ____ (to go) to that supermarket every week?

Slide 28 - Open vraag

Wat moet er op de ___ staan?
(-) Vegans ____ (to eat) meat or cheese.

Slide 29 - Open vraag

Wat moet er op de ___ staan?
(?) ____ it ____ (to rain) often in Scotland?

Slide 30 - Open vraag

Wat moet er op de ___ staan?
(-) These jeans ____ (to fit) me.

Slide 31 - Open vraag

Woordjesrace!

Slide 32 - Tekstslide