oefenen toa maart

oefenen TOA
Let goed op in de volgende dia's volgen aan aantal rekenvoorbeelden die je op de TOA-toets kan verwachten!


1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
RekenenPraktijkonderwijsLeerjaar 3

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

oefenen TOA
Let goed op in de volgende dia's volgen aan aantal rekenvoorbeelden die je op de TOA-toets kan verwachten!


Slide 1 - Tekstslide

2584: Hoeveel is de 5 waard?
A
5
B
50
C
5000
D
500

Slide 2 - Quizvraag

Hoeveel procent is gekleurd?
A
75%
B
60%
C
25%
D
30%

Slide 3 - Quizvraag



1) Hoeveel eierdozen zie je? 
2) Hoeveel eieren per doos?
3) 5 keer 6 eieren
4) 5 x 6 = 30
HOEVEEL EIEREN?
Welke som hoort hier bij? 
A
5 x 9
B
6 x 6
C
6 x 5
D
5 x 6

Slide 4 - Quizvraag

Hoe laat is het?
5.45 uur
A
kwart voor 5
B
kwart voor 6

Slide 5 - Quizvraag

Wat moet erbij?
989 + ........ = 1000
A
1
B
11
C
21

Slide 6 - Quizvraag

Welke letter hoort bij
A
A
B
B
C
C
D
D

Slide 7 - Quizvraag

welke deel is 40% ?
A
4/100
B
1/4
C
4/5
D
2/5

Slide 8 - Quizvraag

1 liter cola kost 2 euro.
Hoeveel kost 1,5 liter?
A
4
B
1,50
C
3
D
2,50

Slide 9 - Quizvraag

27 x 4 =

Slide 10 - Open vraag

Ik heb 200 gram bloem nodig voor 2 taarten. Hoeveel gram bloem heb ik nodig voor 1 taart?
A
50
B
400
C
100
D
10

Slide 11 - Quizvraag

Wat is de
omtrek?
A
8 cm
B
16 cm
C
15 cm
D
130 cm

Slide 12 - Quizvraag

Hoeveel keer per jaar is een kwartaal?
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 13 - Quizvraag

408 : 6 =

Slide 14 - Open vraag

Hoeveel is de 3 waard in € 43,85
A
€ 0,30
B
€ 3,00
C
€ 30,00
D
€ 0,03

Slide 15 - Quizvraag

3 L = ......... dl
A
0.3
B
30
C
300

Slide 16 - Quizvraag

25,28 + 4,5 =
A
29,33
B
25,33
C
29,78
D
25,73

Slide 17 - Quizvraag

Een slager doet 5 worsten in een zakje. Hij heeft 55 worsten.
Hoeveel zakjes kan hij vullen?
A
15
B
20
C
10
D
11

Slide 18 - Quizvraag

Hoe heb je deze oefenopgaven gemaakt?
0100

Slide 19 - Poll

Kijk of je dit  weet?
Op de volgende dia's staan verschillende sommen die we dit jaar wel eens hebben gehad. Misschien weet je ze nog.

Slide 20 - Tekstslide

1/5 + 1/5 =
A
2/5
B
2/10
C
1/10
D
1/5

Slide 21 - Quizvraag

Hoe noem je het decimale getal
0,3
A
3
B
3 tiende
C
3 honderdste
D
3 duizendste

Slide 22 - Quizvraag

Een kok heeft 2 1/2 liter nodig om 20 toetjes te maken. Hoeveel heeft hij nodig voor 10 toetjes? Geef het antwoord in liters met een kommagetal.

Slide 23 - Open vraag

7 flessen cola kosten ongeveer € 20,97
Wat kost 1 fles ongeveer?
A
€ 4,50
B
€ 4,00
C
€ 3,00
D
€ 2,50

Slide 24 - Quizvraag

Hoeveel m is 76 cm?

Slide 25 - Open vraag

25% van 40 = ?
A
25
B
10
C
4
D
20

Slide 26 - Quizvraag

1/5 deel is hoeveel %?
A
5%
B
25%
C
20%
D
50%

Slide 27 - Quizvraag

Wat betekent de 6 in 3,96 m?

A
6 m
B
6 dm
C
6 cm
D
6 mm

Slide 28 - Quizvraag

5 x € 3,75 =

Slide 29 - Open vraag

Wat is de
oppervlakte?
A
8 cm2
B
16 cm2
C
15 cm2
D
130 cm2

Slide 30 - Quizvraag

Hoeveel is een 1/3 van 150?
A
15
B
100
C
20
D
50

Slide 31 - Quizvraag

Hoeveel is een derde van 150?
A
15
B
100
C
20
D
50

Slide 32 - Quizvraag

Welk getal is gelijk aan 6 honderdsten?
A
0,6
B
0,006
C
0,06
D
6

Slide 33 - Quizvraag

Hoeveel procent is 1/10?

Slide 34 - Open vraag

60% van 25 =
A
20
B
16
C
15
D
125

Slide 35 - Quizvraag

Wat is de nieuwe prijs?
A
50
B
52
C
68

Slide 36 - Quizvraag