Les van week 13 Frans les vrijdag 28 maart

Bonjour 2 HAVO ! 
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 40 min

Onderdelen in deze les

Bonjour 2 HAVO ! 

Slide 1 - Tekstslide

Lesdoelen: vendredi le 28 mars
Aan het einde van de les heb je:
-  Geoefend met leesvaardigheid
En kun je:
- zinnen vragend maken met inversie
- zinnen vragend maken met een vraagwoord
- de verschillende betekenissen van quel herkennen.

Slide 2 - Tekstslide

Poser des questions en français

Slide 3 - Tekstslide

Ken jij manieren
waarop je vragen
kunt stellen in het Frans?

Slide 4 - Woordweb

Vraagwoorden in het Frans

Slide 5 - Woordweb

In de volgende slide gebruiken we de volgende zin als voorbeeld:

Vous avez un chien.
Betekenis: Jullie hebben een hond of U heeft een hond.

Slide 6 - Tekstslide

A. Manieren van vragen stellen zonder vraagwoord:
   1. Est-ce que + gewone zin + ? 
p. ex.: Est-ce que vous avez un chien?

   2. Inversie (omkering van onderwerp & persoonsvorm)+ rest van de zin+ ? 
p. ex.: Avez-vous un chien?  

Slide 7 - Tekstslide

LET OP! BIJ INVERSIE:
Het onderwerp MOET een persoonlijk vwn zijn. 
Dus: je / tu / il / elle / on / nous / vous / ils / elles. 
Staat er een ander onderwerp, dan vervang je deze 
door een pers vnw:
p.ex. Mes parents ont mangé
Ont-ils mangé?

Slide 8 - Tekstslide

B. Met vraagwoord
1.  vraagwoord + est-ce que + gewone zin + ?

       p. ex.:  Quand est-ce que vous acheterez un chat?


Slide 9 - Tekstslide

Vraagwoorden 
In het Frans kennen we de volgende vraagwoorden:
combien = hoeveel
comment = hoe 
où = waar
pourquoi = waarom
quand = wanneer
que/qu'est-ce que = wat
qui = wie 

Slide 10 - Tekstslide

Welk woord is geen vraagwoord?
A
quand
B
ou
C
comment
D
pourquoi

Slide 11 - Quizvraag

Wat is geen vraagwoord?
A
Combien
B
quand
C
pour
D
quel

Slide 12 - Quizvraag

Welk woord is een vraagwoord?
A
souvent
B
pourquoi
C
chouette
D
beaucoup

Slide 13 - Quizvraag

Wat is geen vraagwoord?
A
Combien
B
quand
C
pour
D
quel

Slide 14 - Quizvraag

Vul het juiste vraagwoord in :
......tu fais comme sport ?
A
pourquoi
B
qu'est-ce que
C
quand
D

Slide 15 - Quizvraag

Welk vraagwoord is correct?
……… est-ce que va à la fète de Yann?
A
comment
B
C
qui
D
quand

Slide 16 - Quizvraag

Welk vraagwoord is hier nodig?
Ton anniversaire, c’est ... ?
A
pourquoi
B
qui
C
combien
D
quand

Slide 17 - Quizvraag

Welk vraagwoord past in de zin:
" ... tu détestes l'anglais?"
A
quand
B
pourquoi
C
qu'est-ce que
D
qui

Slide 18 - Quizvraag

Welk vraagwoord zoeken we?
Tu habites ....? Moi, j'habite à Liège.
A
combien
B
comment
C
quand
D

Slide 19 - Quizvraag

Welk vraagwoord zoeken we?
..... tu t'appelles? Je m'appelle Robin.
A
combien
B
comment
C
quand
D

Slide 20 - Quizvraag

C. Vraagwoord quel (=welke)
Het vraagwoord quel past zich aan aan het zn waar het bij hoort.
Quelle est ta matière préférée?

Slide 21 - Tekstslide

Betekenis quel
Quel betekent welke. Maar:
Wanneer quel opgevolgd wordt door het ww "être" betekent het: "wat is / wat zijn"

p.ex. Quelles sont tes chansons préférées?
-> Wat zijn je lievelings liedjes?

Slide 22 - Tekstslide

Le sport. Tu fais ..... sport?
A
quels
B
quelle
C
quel
D
quelles

Slide 23 - Quizvraag

............... est ton jean préféré?

A
quels
B
quelles
C
quel
D
quelle

Slide 24 - Quizvraag

Wat betekent Quelle in deze zin:
Quelle est ta matière préférée?
A
welke
B
wie
C
wat
D
wanneer

Slide 25 - Quizvraag

"Quel est votre avis ?"

Wat betekent "quel" ?
A
Waar
B
Welke
C
Wat
D
Wanneer

Slide 26 - Quizvraag

WHHTK
Wat?           Maken 31 en 32 afronden chapitre 5
                     Maak 33 pagina 151-155 en 25,26, 27 vanaf pagina 145
 Hoe?          Gezamenlijk
Hulp?        Docent 
Tijd?          35 minuten
Klaar?       Maken 31 en 32 afronden chapitre 5
                     Maak 33 pagina 151-155 en 25,26, 27 vanaf pagina 145

Slide 27 - Tekstslide

A la prochaine!
Au revoir!

Slide 28 - Tekstslide