Schritt 1-11 03.042025

Was machen wir heute?
Stunde 1:
  • Planung P3
Prüfung Schritt 1-11 = TW 4
 mündliche Prüfung
Schritt 1: Vokabeln und Redemittel
Erklärung keuzevoorzetsels
Stunde 2:
mündliche Prüfung vorbereiten
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 1 min

Onderdelen in deze les

Was machen wir heute?
Stunde 1:
  • Planung P3
Prüfung Schritt 1-11 = TW 4
 mündliche Prüfung
Schritt 1: Vokabeln und Redemittel
Erklärung keuzevoorzetsels
Stunde 2:
mündliche Prüfung vorbereiten

Slide 1 - Tekstslide

Schritt 1-11
Lernen:
  • Schritt 1-3 Lernecke ( Seiten 42-45)
Redemittel nur reagieren/antworten/
 Vokabeln lernen DN und ND

Schritt 4-7 Lernecke Vokabeln Schritt 5 (DN) Schritt  7 ND und DN.




Slide 2 - Tekstslide

Schritt 1-11 können
keuzevoorzetsels mit der Grammatikkarte : Schritt 3
Lesen mit dem Wörterbuch : Schritt 3,5,8,11
Schreiben: Schritt 7: auf Klassenfahrt

Slide 3 - Tekstslide

Vokabeln Aussprache S. 11

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Link

Redemittel

Können:  antworten/reagieren

Slide 6 - Tekstslide

Meine Schwester heiratet morgen.
Toll, Viel Spaß

Slide 7 - Open vraag

Um wie viel Uhr ist die Hochzeit?
findet statt ( vindt plaats)

Slide 8 - Open vraag

Keuzevoorzetsels 
an
aan/op (alleen bij dagen)
auf
op
hinter
achter
neben
naast
in 
in/binnen
über
over
unter
onder
vor
voor 
zwischen
tussen

Slide 9 - Tekstslide

De keuzevoorzetsels kunnen zowel een Dativ (3e naamval) of een Akkusativ (4e naamval) zijn. Maar wanneer maak je gebruik dan de Dativ en wanneer van de Akkusativ?

Slide 10 - Tekstslide

Dativ
Dativ = rust, ergens zijn.

Je kunt de vraag: Wo (waar)? stellen


Die Zeitung liegt auf dem Tisch. 
Akkusativ
Akkusativ = beweging, ergens heen. 

Je kunt de vraag: Wohin (waarheen)? stellen

Sie wirft die Zeitung auf den Tisch (m). 

Slide 11 - Tekstslide

Wanneer krijg je een Dativ / Akkusativ bij de keuzevoorzetsels? 
Dativ (3e naamval)
Akkusativ (4e naamval)

Slide 12 - Sleepvraag

üben, üben, üben

Slide 13 - Tekstslide

Vul in.
Das Auto steht vor d...…. Garage (v)

Slide 14 - Open vraag

Antwoord + uitleg:
Vertaald: De auto staat vor d.... garage (v).
vor (voor) = keuzevoorzetsel
Het werkwoord 'staat' is geen beweging. Je kunt vragen 'waar'? Dus Dativ (3e naamval) vrouwelijk.

Dus: Das Auto steht vor der Garage (v)

Slide 15 - Tekstslide

Vul in.
Das Heft fällt auf d...…...Boden (m).

Slide 16 - Open vraag

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Het schrift valt op de grond.
op = keuzevoorzetsel
Het werkwoord 'vallen' is een beweging.
Dus Akkustiv (4de naamval) mannelijk.

Dus: Das Heft fällt auf den Boden (m).


Slide 17 - Tekstslide

Das Buch liegt auf d... Tisch(m).
A
dem
B
den

Slide 18 - Quizvraag

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Het boek ligt op de tafel.
op = keuzevoorzetsel
Je kunt vragen 'waar'? 
Antwoord: ligt op de tafel. Dus Dativ (3e naamval).

Dus: Das Buch liegt auf d... Tisch (m).

Slide 19 - Tekstslide

Das Bild hängt an d.... Wand (v).
A
die
B
der

Slide 20 - Quizvraag

Antwoord + uitleg:
Vertaald: De foto hangt aan de muur.
an (aan) = keuzevoorzetsel
Je kunt vragen 'waar'? Antwoord: aan de muur. 
Dus Dativ (3e naamval) vrouwelijk.

Dus: Das Bild hängt an der Mauer (v).

Slide 21 - Tekstslide

Vul in.
Ich lege deinen Schlüssel auf d... Tisch (m).

Slide 22 - Open vraag

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Ik leg jouw sleutel op de tafel.
auf (op) = keuzevoorzetsel
Het gaat hier om een beweging (iets neer leggen). 
Dus Akkusativ (4e naamval.)

Dus: Ich lege deinen Schlüssel auf den Tisch.


Slide 23 - Tekstslide

Vul in.
Stehst du immer so lange vor d.... Spiegel (m)?

Slide 24 - Open vraag

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Sta jij altijd zo lang voor de spiegel?
vor (voor) = keuzevoorzetsel
Je kunt vragen 'Waar?', zich bevinden, dus Dativ (3e naamval)

Dus: Stehst du immer so lange vor dem Spiegel?

Slide 25 - Tekstslide

Vul in.
Ich warte (voor de) Apotheke (v).

Slide 26 - Open vraag

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Ik wacht voor de apotheek.
vor (voor) = keuzevoorzetsel
Je kunt vragen 'Waar?'. Dus 3e naamval.

Dus: Ich warte (voor de) Apotheke (v).
1de naamval -> die (1)                 der (3).
Antwoord: Ich warte vor der Apotheke (v).


Slide 27 - Tekstslide

Vul in.
Mein Opa setzt sich (op de) Bank (v) im Park.

Slide 28 - Open vraag

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Mijn opa gaat op de bank in het park zitten.
auf (op) = keuzevoorzetsel
'gaan zitten' is een beweging. Dus 4e naamval.

Dus: Mein Opa setzt sich (op de) Bank (v) im Park.
1de naamval -> die (1)                 die (4).
Antwoord: Mein Opa setzt sich auf die Bank (v) im Park.


Slide 29 - Tekstslide

Ik begrijp de keuzevoorzetsels
😒🙁😐🙂😃

Slide 30 - Poll

Stunde 2
Erklärung
Arbeit:  30 Min.
Je maakt 2 opdrachten zonder telefoon en laptop.
Je mag je boek gebruiken
en een woordenboek.

je levert het werkboekje aan het einde van de les in.


Slide 31 - Tekstslide