voorzetsels + persoonlijke voornaamwoorden

1 / 13
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

In deze les zitten 13 slides, met interactieve quiz en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Planning
Wat gaan we vandaag doen?
1. Herhaling grammatica (voorzetsels 3e & voorzetsels 4e naamval + persoonlijke voornaamwoorden)
2. Verwerkingsopdracht (snap je het?)
3. Afsluiting

Slide 2 - Tekstslide

Voorzetsels + persoonlijke voornaamwoorden
[Wat weet je nog?]

Slide 3 - Woordweb

Verschil tussen Nederland en Duitsland
- In Duitsland vaak veel formeler
- Vooral op de werkvloer zoals een ziekenhuis of een kantoor wordt een baas met 'Sie' aangesproken
- In Nederland zeg je meestal gewoon 'jij'

Slide 4 - Tekstslide

Persoonlijk voornaamwoord
1e naamval
ich
du
er
sie
es
wir
ihr
sie
Sie

Slide 5 - Tekstslide

Persoonlijk voornaamwoord
 Je ziet ook dat in het Nederlands het persoonlijk voornaamwoord verandert als er een voorzetsel voor staat.


met...., voor....,van..... enz

ik 
jij
hij
zij
het
wij
jullie
zij
U
mij
jou
hem
haar
het
ons
jullie
hun/
hen
U

Slide 6 - Tekstslide

Voorzetsels met de 3e naamval
  • aus (uit)
  • bei (bij)
  • mit (met)
  • nach (naar, na)
  • seit (sinds)
  • von (van)
  • zu (''naar'' personen)
Deze geven een 3e naamval aan
Ik ben aan vakantie toe!

Slide 7 - Tekstslide

Voorzetsels met de 4e naamval
  • durch (door)
  • für (bestemd voor, ergens voor zijn)
  • gegen (tegen)
  • ohne (zonder)
  • um (om, omheen)
Deze geven een 4e naamval aan

Slide 8 - Tekstslide

Persoonlijk voornaamwoord






Na voorzetsels van de 3e naamval!
(aus, bei, mit, nach, seit, von, zu)

ich
du
er
sie
es
wir
ihr
sie
Sie
mir
dir
ihm
ihr
ihm
uns
euch
ihnen
Ihnen

Slide 9 - Tekstslide

Persoonlijk voornaamwoord


Na voorzetsels van de 4e naamval!
(durch, für, gegen, ohne, um)


ich
du
er
sie
es
wir
ihr
sie
Sie
mich
dich
ihn
sie
es
uns
euch
sie
Sie

Slide 10 - Tekstslide

Gebruik 'they/them' in het Duits
- Ook in het Duits kan je genderneutraliteit aantonen.
They/them = zij/hen
1e naamval -> sie
3e naamval -> ihnen
4e naamval -> sie





Vraag de ander altijd hoe die aangesproken wilt worden!

Slide 11 - Tekstslide

An die Arbeit
- Maak de oefenopgave op het blad
- Overleg met je klasgenoot naast je is toegestaan
- Houd het rustig in de klas voor iedereen


Discussiepunt:
- Wat vinden wij van diversiteit?
- Hoe ga je om met mensen die anders denken dan jij?


Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Tekstslide