In deze les zitten 34 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.
Lesduur is: 30 min
Onderdelen in deze les
Afweer
Slide 1 - Tekstslide
Slide 2 - Tekstslide
Leerdoelen
Wat zijn infectie ziekten, waardoor worden infectieziekten veroorzaakt.
Hoe verklein je de kans op het krijgen van een infectieziekte.
Hoe komen infectieziekten in je lichaam.
Wat doen de witte bloedcellen in je lichaam.
Wat is immuniteit en welke soorten immuniteit zijn er.
Je kunt omschrijven wat er aan de hand is bij een allergie.
Slide 3 - Tekstslide
herhaling: Naar welk bloedvat pompt de linkerkamer bloed?
Slide 4 - Open vraag
herhaling: welke stoffen zitten er in je bloed.
Slide 5 - Open vraag
herhaling: Welke 3 typen bloedvaten heeft je lichaam
Slide 6 - Open vraag
Infectieziekten
Dit zijn ziekten waarmee je andere mensen kunt besmetten. De ziekteverwekkers zoals bacteriën en schimmels komen uit de omgeving.
Bacteriën veroorzaken ontstekingen, zoals oorontsteking, darmontsteking.
Bij een infectie dringen de bacteriën je lichaam in.
Slide 7 - Tekstslide
Ontstekingen
Een ontsteking is de reactie van je lichaam op de infectie.
reacties zijn:
- pijn
- roodheid
- zwelling
- warmte (koorts)
Slide 8 - Tekstslide
Wat is een infectie?
A
Kan ontstaan door organismen die je met het blote oog kunt zien
B
Het is kanker
C
Kan ontstaan door darmbacteriën
D
Het is het binnendringen van ziekteverwekkende micro-organismen in je lichaam
Slide 9 - Quizvraag
Virus
Een virus is geen organisme zoals een bacterie en een schimmel.
Virussen veroorzaken verkoudheid, griep, corona, aids, mazelen, rode hond en de ziekte van Pfeiffer.
(antibiotica werkt niet op een virus wel bij een onsteking)
Slide 10 - Tekstslide
Ziekteverwekkers in je lichaam
Ze komen op verschillende manieren in je lichaam:
Na besmetting dan verdubbelen de ziekteverwekkers zich in je lichaam. Soms duurt het even voordat je ziek wordt. Dat is de incubatietijd, bij aids duurt dit 9 jaar.
- eten en drinken
- ingeademde lucht
- vrijen
- besmette naalden
Slide 11 - Tekstslide
Slide 12 - Video
Bescherming tegen ziekte
Voorkomen van ziekte
- Goede hygiëne is belangrijk.
- Schone omgeving en schone kleding
- Voeding op de juiste manier klaarmaken en bewaren.
- Voldoende slaap
Dit alles zorg voor een goed weerstand
Slide 13 - Tekstslide
Bescherming lichaam
Stoffen die niet in je lichaam horen zijn lichaamsvreemde stoffen. Bij een infectie zitten lichaamsvreemde stoffen in je lichaam.
Je lichaam beschermt zich door:
- witte bloedcellen
- antistoffen
lichaam beschermt tegen lichaamsvreemde stoffen:
- met de huid
- met de slijmvliezen
- met zoutzuur
Slide 14 - Tekstslide
Witte bloedcel
zonder vaste vorm
Sommige witte bloedcellen hebben geen vaste vorm. Daardoor kunnen ze makkelijk door de wand van een bloedvat.
Als er bacteriën en/of andere ziekteverwekkers in je lichaam komen, kunnen de witte bloedcellen zo'n lichaamsvreemde stof 'insluiten'. Daardoor gaat de bacterie/ziekteverwekker dood. Dit gebeurt bijvoorbeeld als je een wondje hebt en er vocht uit de wond komt.
De etter of pus bestaat uit dode witte bloedcellen en gedode bacteriën.
Witte bloedcel
Je kunt uitleggen wat de functie en de werking van een witte bloedcel is.
Slide 15 - Tekstslide
Witte bloedcellen
A
sluiten bacteriën en andere ziekteverwekkers in om ze te doden
B
zorgen voor de opname van zuurstof in het bloed
C
zorgen voor bloedstolling bij een wondje
D
bestaan uit bloedplasma
Slide 16 - Quizvraag
Antistoffen
Sommige witte bloedcellen maken antistoffen tegen ziekteverwekkers.
De ziekteverwekkers bevatten lichaamsvreemde eiwitten. Het afweersysteem herkent deze eiwitten. En zorgt ervoor dat je afweer hebt en niet ziek wordt
Slide 17 - Tekstslide
Infectieziekten, wat zijn dat?
A
antistoffen die ontstaan als je ziek bent
B
stoffen die je ingespoten krijgt bij een vaccinatie
C
ziekten die erfelijk zijn
D
ziekten waarmee je anderen kunt besmetten
Slide 18 - Quizvraag
Waar voel je je nu eigenlijk ziek van?
A
Van de infectie
B
Van de infectie en van de afweerreactie van je lichaam
C
Van de afweer van je lichaam
D
Van de witte bloedlichaampjes
Slide 19 - Quizvraag
vocht uit een wond met dode witte bloedcellen en gedode bacteriën
A
etter / pus
B
bloed
C
urine
D
speeksel
Slide 20 - Quizvraag
natuurlijke immuniteit
kunstmatige immuniteit
Slide 21 - Tekstslide
Natuurlijke immuniteit=
Zelf verworven immuniteit doordat je de ziekte zelf gehad hebt (bijv. waterpokken)
Kunstmatige immuniteit
Verkregen immuniteit door het inspuiten van een vaccin.
Een vaccin bestaat uit een dode of verzwakte ziekteverwekker (antigenen)
Slide 22 - Tekstslide
Natuurlijk
Kunstmatig
Immuniteit
je krijgt corona en wordt beter
injectie met vaccin
Slide 23 - Sleepvraag
Kunstmatige immuniteit
A
immuniteit die ontstaat doordat je al een keer een bepaalde ziekte hebt gehad
B
immuniteit die ontstaat door inenting met een vaccin, zoals de griepprik
C
Lichaamsvreemde stoffen die een ziekte veroorzaken
D
Lichaamsvreemde stoffen die geen ziekte veroorzaken
Slide 24 - Quizvraag
Immuun
A
je kunt de ziekte niet meer krijgen
B
behoorlijk ziek worden van een ziekte
C
een lichaamsvreemde stof
D
een spuit krijgen met zwakke ziekteverwekkers
Slide 25 - Quizvraag
Antistoffen
A
stoffen die witte bloedcellen maken om ziekteverwekkers onschadelijk te maken
B
stoffen die bloedplaatjes maken om ziekteverwekkers onschadelijk te maken
C
stoffen die rode bloedcellen maken om ziekteverwekkers onschadelijk te maken
D
stoffen die in ziekteverwekkers zitten
Slide 26 - Quizvraag
vaccinatie wat is dat?
A
inenting
B
immuniteit
C
infectie
D
antistof
Slide 27 - Quizvraag
natuurlijke immuniteit
A
ontstaat doordat je een vaccinatie hebt gekregen
B
ontstaat doordat je bijvoorbeeld een griepprik hebt gekregen
C
immuniteit die ontstaat doordat je de ziekte doormaakt
(ziek bent geweest van een ziekte)
D
is een erfelijke ziekte
Slide 28 - Quizvraag
Weerstand Wat is juist?
A
Iemand die aids heeft, heeft veel weerstand tegen infectieziekten
B
je lichaam beschermt zichzelf
C
je weerstand is altijd hetzelfde
D
je hebt altijd te weinig weerstand
Slide 29 - Quizvraag
allergie
Bij sommige mensen reageert het afweersysteem niet alleen op ziekteverwekkers, maar ook op andere lichaamsvreemde stoffen. bijv. stof, stuifmeel, pinda's. Je hebt dan een allergie.
Bij een allergie ben je overgevoelig voor bepaalde stoffen. Je lichaam reageert dan met bultjes, jeuk of een huiduitslag. Dit noemen we de allergische reactie.
Slide 30 - Tekstslide
Wie heeft er last van een allergie? En waar ben je allergisch voor?
Slide 31 - Woordweb
exit ticket: leg uit wat natuurlijke immuniteit is.
Slide 32 - Open vraag
exit ticket: Je lichaam houdt op 3 manieren lichaamsvreemde stoffen tegen. Hoe gebeurt dat?