H4.2

Les: 
Opstarten les/ Wat gaan we doen 5m
Herhaling vorige les 5m
Uitleg nieuwe theorie 10m
Zelfstandig werken/ Samenwerken 20m 
Uitleg nieuwe theorie 5m
Huiswerk maken  20m
Afsluiting door mideel van de werkvorm Elfje 15m
1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 18 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Les: 
Opstarten les/ Wat gaan we doen 5m
Herhaling vorige les 5m
Uitleg nieuwe theorie 10m
Zelfstandig werken/ Samenwerken 20m 
Uitleg nieuwe theorie 5m
Huiswerk maken  20m
Afsluiting door mideel van de werkvorm Elfje 15m

Slide 1 - Tekstslide

Herhaling vorige les (5 minuten) 
1. Wat is het verschil tussen consumeren en produceren.
2. Wat is arbeidsproductiviteit, hoe bereken je de arbeidsproduciviteit en hoe kun je de arbeidsproduciviteit vergroten.
Met behulp van beeldfratgment: 

Slide 2 - Tekstslide

               Nieuwe theorie (10m)  
Leerdoelen:
Aan het eind van de les kan je: met betrekking tot deze presentatie: 

  • Uitleggen welke soorten kosten er zijn. 
  • Het verschil uitleggen tussen constante en variabele kosten 
  • Uitleggen wat afschrijven is 

Slide 3 - Tekstslide

                   Soorten kosten 
We onderscheide twee soorten: 

1. Inkoopwaarde van de verkochte producten. De naam zegt het al. Het gaat om de prijs waarvoor je grondstoffen/ producten hebt  ingekocht. Ook iets over productiekosten vertellen

2. Bedrijfskosten zijn de overige kosten. Zie volgende dia. 


Slide 4 - Tekstslide

                         Bedrijfskosten  
Soorten bedrijfskosten:
  • Loonkosten: 
    Kosten voor het salaris van het personeel

  • Huisvestingskosten
    Kosten voor de huur of hypotheek van een bedrijfspand
    Kosten voor energie en water

  • Verkoopkosten
    Kosten die horen bij de verkoop van producten, zoals verpakkings- en verzendkosten

  • Rentekosten
    Kosten voor de rente die betaald wordt over een lening

Slide 5 - Tekstslide

Het verschil tussen vaste - en variabele kosten.  Belangrijk. 
Variabele kosten zijn kosten die toenemen als een bedrijf meer gaat produceren. Voorbeeld en productiekosten en verzendkosten
Constante kosten zijn kosten die niet toenemen (dus gelijk blijven) als een bedrijf meer gaat producren. Voorbeelden huur van een bedrijfspand en machine kosten 

Slide 6 - Tekstslide

Dit moet je goed begrijpen. Belangrijk
Rekenvoorbeeld constante - en variabele kosten aan de hand van de productie van spijkerbroeken. 
Een bedrijf maakt 10 spijkerbroeken. De totale kosten van dit bedrijf zijn € 1.000,- De variabele kosten per broek zijn € 40,-  Wat zijn de totale constante kosten? 

Variabele kosten per broek € 40,-                                                                                    Totale variabele kosten  € 40,- x 10 broeken = € 400,- 
Dan zijn de totale constante  kosten € 1.000, - € 400,- = € 600,-         Duidelijk? 

Slide 7 - Tekstslide



Maken opgaven 16 (3 minuten)


2 minuten:
eerst zelf doen in stilte
1 minuut: in tweetal overleggen
timer
3:00

Slide 8 - Tekstslide

Maken opgaven 17 (10 minuten
5 minuten: in stilte werken. Vind je het een lastige opgave lees dan eerst de tekst op bladzijde 109. En probeer de opgaven te maken die je wel weet.  
5 minuen: in drie/ viertallen op fluister niveau overleggen. Met leerlingen voor je en achter je. Kijk eventueel in Teams naar antwoorden als je er niet uitkomt.  Ben je klaar dan mag je zachtjes praten. 
timer
10:00

Slide 9 - Tekstslide

  antwoorden opgave 17 

 a Variabele kosten bij 10.000 broeken zijn 10.000 × € 7,50 = € 75.000.
    Totale kosten – variabele kosten = constante kosten
    € 250.000 – € 75.000 = € 175.000 constante kosten
 b € 175.000 ÷ 10.000 = € 17,50
 c Totale  osten = € 175.000 + € 7,50 × 20.000) = € 325.000
 d Constante kosten per broek bij een productie van 20.000 = € 175.000 ÷ 20.000 =            € 8,75. Bij een productie van 10.000 waren de constante kosten per broek € 17,50.        De constante kosten per broek zijn dus gehalveerd bij een verdubbeling van de            productie.
  e Omdat de constante kosten gelijk blijven, alleen de variabele kosten nemen toe.           Wanneer de productie verdubbelt, verdubbelen dus alleen de variabele kosten,             niet de constante kosten.        


Slide 10 - Tekstslide

Maken opgave 18 (7 minuten) 
Dit mag je samendoen. 
timer
7:00

Slide 11 - Tekstslide

Afschrijven / Afschrijvingskosten berekenen 
Zie beeldfragment: 

en korte uitleg 
Formule:                        (Aanschafprijs - restwaarde) : levensduur               

Nieuwe theorie (5m)

Slide 12 - Tekstslide

Nu aan het werk. 

Hoe:
5 minuten zelfstandig werken en in stilte
5 minuten samenwerken
5 minuten zelfstandig werken en in stilte
5 minuten samenwerken

Hulp:
  1. Uitleg lezen in het boek
  2. Buurman/ vrouw vragen (alleen tijdens moment van SAMENWERKEN)
  3. Docent vragen


Wat:
Bladzijde 108 - 113
Opdrachten 4.2:  opgaven 13 tot en met 24




Klaar:
  1. Antwoorden huiswerk paragraaf 4.1 nakijken (als dit nog niet is gedaan) 
  2.  Huiswerk bakijken) nakijken van paragraaf 4.2. 

Slide 13 - Tekstslide

Huiswerk
Voor vrijdag 4 april 
Maken de opgaven van bladzijde 108 tot en met 113  en inleveren in teams onder opdrachten de twee elfjes.




Slide 14 - Tekstslide

Werkvorm Elfje (15m)
De werkvorm Elfje is een gedicht van 11 woorden en heeft in dit geval jammer genoeg niets te maken met een sprookjesfiguur.
De 11 woorden zijn verdeeld over 5 zinnen:
 

Regel 2 2 woorden Zeer gemotiveerd kan alleen
Regel 3 3 worden soms erg kletserig door hard werken
Regel 4 4 woorden willen naar Havo vier en door te leren
Regel 5 1 woord succes begin

Slide 15 - Tekstslide

Elfje: 
 Omschrijf Havo 3 leerlingen mbv een elfje. 

Regel 1       1 woord:                 aardig
Regel 2      2 woorden:           zeer gemotiveerd 
Regel 3      3 woorden             soms erg kletserig 
Regel 4      4 woorden              willen naar Havo vier 
Regel 5      1 woord:                   leergierig

Slide 16 - Tekstslide

Inleveren van de twee Elfjes. 
Uiterlijk volgende week vrijdag 12.00 uur.
Waar? In Teams. Onder opdrachten vind je de opdracht
inleveren opdracht elfje over paragraaf 4.2.
Let op iedereen levert zelfstandig deze opdracht in!
Dus alle twee de groepsleden leveren wat in. 
Van de votige opdracht ben ik in beeld (zie teams) hebben vier leerlingen de opdracht nog niet ingeleverd. 


Slide 17 - Tekstslide

Maak twee elfjes over de volgende twee vragen.
1. Wat is afschrijven? 



2. Waarom wil de overheid dat alle bedrijven afschrijven? Dat kost de overheid toch alleen maar geld? Kleine uitleg. Bedrijven betalen hierdoor veel minder belasting en de overheid loopt op deze manier behoorlijk wat inkomsten mis. Zoek eventueel op internet naar dit anywoord. 


Elfje:
regel 1 1 woord
regel 2 2 woorden
regel 3 3 woorden
regel 4 4 woorden
regel 5 1 woord 

Slide 18 - Tekstslide