Fictie & Spreekvaardigheid: Les 4

nagelslakken    ||     massagebed ||    carnavalshit
  • HOMOGRAM
  • woorden die je op twee manieren kunt lezen, en die dus ook twee betekenissen hebben
1 / 37
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

nagelslakken    ||     massagebed ||    carnavalshit
  • HOMOGRAM
  • woorden die je op twee manieren kunt lezen, en die dus ook twee betekenissen hebben

Slide 1 - Tekstslide

nagelslakken    ||     massagebed ||    carnavalshit
dijkramp || dolfijn

Slide 2 - Tekstslide

Fictie & spreekvaardigheid

Slide 3 - Tekstslide

Vorige les
  • Heb je geleerd dat wat je vertelt in je pitch net zo belangrijk is als hoe je het vertelt.
  • Hebben we geoefend met lichaamstaal en stemgebruik
 

Slide 4 - Tekstslide

Lesdoelen
Aan het einde van deze les weet je nog meer fictiebegrippen die belangrijk zijn tijdens je pitch:
  • Fictie & non-fictie
  • Realisme
  • Hoofd- en bijpersonen 
  • Vertelperspectief
  • Genre
  • Tijd
  • Spanning

Slide 5 - Tekstslide

Wat ik heb geleerd?
Ik weet hoe ik mijn spreektempo kan inzetten om spanning in mijn verhaal te brenge

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Volgende week: oefenpitch!
  • Iedereen gaat een elevator pitch geven van ong. 1 minuut.
  • Over een boek dat je al gelezen hebt (Koning Valentijn/King en de drakenvlinders zijn of een ander boek).
  • In de pitch gebruik je 1 beoordelingswoord + argument en 
        2 fictiebegrippen
  • Jullie gaan elkaar feedback geven (tips & tops).
  • Oefen thuis met een timer!

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Pak je laptop!
Lees de komende 5 minuten zelfstandig de bekende fictiebegrippen door (slide 5 t/m 8)
timer
3:00

Slide 10 - Tekstslide

Fictie & non-fictie (herhaling)
Fictie
Teksten/beelden over gebeurtenissen en mensen die verzonnen zijn. Vb: leesboek, stripverhaal, film, gedicht.

Non-fictie
Teksten/beelden over de werkelijkheid, met feiten over echte mensen en gebeurtenissen, niet verzonnen. Vb: krantenbericht, schoolboek, journaal, documentaire.

Slide 11 - Tekstslide

Realisme (herhaling)
          Realistisch
Een schrijver verzint mensen en gebeurtenissen die erg lijken op de werkelijkheid, die echt zouden kunnen gebeuren.


          Niet-realistisch
Een schrijver verzint een verhaal met mensen en gebeurtenissen, die in werkelijkheid niet kunnen.

Slide 12 - Tekstslide

Realisme (herhaling)

Slide 13 - Tekstslide

Hoofd- en bijpersonen (herhaling)

Hoofdpersonen
Dit is de belangrijkste persoon (soms meer dan één). Van een hoofdpersoon kom je het meeste te weten, het grootste deel van het verhaal ‘beleef’ je vanuit hem/haar. Hij/zij heeft een belangrijk probleem of opdracht.

Bijfiguur
Deze personen zijn minder belangrijk en je komt over hen minder te weten.

Slide 14 - Tekstslide

Vertelpersfectief (herhaling)
Vertelperspectief: als je een verhaal leest dan bekijk je alles vanuit een bepaalde persoon.

  • Hij-/zij-perspectief: de gebeurtenissen worden verteld door een persoon in de hij- of zij-vorm.
  • Ik-perspectief: de gebeurtenissen worden verteld door een persoon in de ik-vorm.


Slide 15 - Tekstslide

Klap je laptop dicht!
De nieuwe fictiebegrippen bespreken we samen

Denk alvast na over je extraatje

Slide 16 - Tekstslide

Genre (nieuw fictiebegrip!)
Je kunt boeken verdelen in verschillende verhaalsoorten ('genres'). Door te kijken naar welk onderwerp belangrijk is in het verhaal, kom je te weten bij welk genre een verhaal hoort.  

Voorbeelden van genres zijn avonturenverhaal, oorlogsverhaal,
liefdesverhaal, probleemverhaal, grappig verhaal, meidenverhaal, historisch verhaal of sprookje.

Slide 17 - Tekstslide

Tijd (nieuw fictiebegrip!)
Sommige verhalen, zoals sprookjes, zijn tijdloos. In andere verhalen kan een schrijver laten zien in welke tijd het verhaal zich afspeelt door bijvoorbeeld het beschrijven van:
  • Jaartal
  • Bekende historische figuren of een beroemd persoon
  • Bekende historische gebeurtenissen
  • Gebruiken, gewoontes, voorwerpen, kleding en eten uit de tijd van het verhaal
  • Omgeving in de tijd van het verhaal

Slide 18 - Tekstslide

Hoe kun je de tijd herkennen?
Amsterdam, 1733. Vincent is de zoon van een rijke VOC -koopman. Als hij samen met een vriend een stomme streek heeft uitgehaald, wordt hij voor straf op een van zijn vaders schepen naar Indië gestuurd.

Uit: Annejoke Smids, Verlaten.

Slide 19 - Tekstslide

Hoe kun je de tijd herkennen?
Amsterdam, 1733. Vincent is de zoon van een rijke VOC -koopman. Als hij samen met een vriend een stomme streek heeft uitgehaald, wordt hij voor straf op een van zijn vaders schepen naar Indië gestuurd.

Uit: Annejoke Smids, Verlaten.

Slide 20 - Tekstslide

FICTIEBEGRIPPEN

Slide 21 - Tekstslide

Spanning (nieuw fictiebegrip!)
Een schrijver kan op verschillende manieren een verhaal spannender te maken.
  • Het verhaal speelt zich af in een enge of gevaarlijke omgeving.
  • De hoofdpersoon komt in een gevaarlijke situatie.
  • Het verhaal krijgt een onverwachte wending.
  • Een hoofdstuk eindigt met een cliffhanger
  • Je krijgt door aanwijzingen in het verhaal een vermoeden van hoe het afloopt, maar je weet nog niet precies hoe het zit.
  • Je bent bijna bij de ontknoping, maar eerst is er nog uitstel.

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Video

Open je laptop weer!
We gaan de nieuwe begrippen oefenen

Slide 24 - Tekstslide

Historisch
verhaal
Fantasy
Sprookje
Liefdes-
verhaal

Slide 25 - Sleepvraag

Hoe kun je de tijd herkennen?
En nu, opeens, op 7 september 1812, hield het Russische leger halt. Vlak voor de grootste stad van het land. Je kon Moskou al bijna zien liggen. De Europese indringer was al zeker duizend kilometer het land ingelopen. Pas nu, nu Napoleon al bijna bij de oude hoofdstad was, wilde de tsaar opeens korte metten met hem maken. Vlak voor Moskou zou dan eindelijk slag worden geleverd, de grootste veldslag uit de geschiedenis. Honderdduizenden mannen zouden elkaar te lijf gaan met zwaarden, lansen en kogels.
Uit: Menno Hurenkamp, Koeriers voor de keizer.

Slide 26 - Tekstslide

Je herkent de tijd aan...
A
Jaartal
B
Bekende historische figuren
C
Bekende historische gebeurtenissen
D
Voorwerpen uit de tijd van het verhaal

Slide 27 - Quizvraag

Hoe kun je de tijd herkennen?
En nu, opeens, op 7 september 1812, hield het Russische leger halt. Vlak voor de grootste stad van het land. Je kon Moskou al bijna zien liggen. De Europese indringer was al zeker duizend kilometer het land ingelopen. Pas nu, nu Napoleon al bijna bij de oude hoofdstad was, wilde de tsaar opeens korte metten met hem maken. Vlak voor Moskou zou dan eindelijk slag worden geleverd, de grootste veldslag uit de geschiedenis. Honderd-duizenden mannen zouden elkaar te lijf gaan met zwaarden, lansen en kogels.
Uit: Menno Hurenkamp, Koeriers voor de keizer.

Slide 28 - Tekstslide

Lesdoelen behaald?

Handen omhoog 

  • Ik weet welke fictiebegrippen ik moet gebruiken tijdens mijn pitch!

Slide 29 - Tekstslide

Ik weet welke fictiebegrippen ik moet gebruiken tijdens mijn pitch
Ik moet de fictieebegrippen nog opzoeken in de rubric en deze LessonUp)
Ik heb de begrippen al gekopieerd in mijn spreekplan, maar moet ze nog uitwerken
Ik heb de meeste begrippen uitgewerkt in mijn spreekplan
Ik heb alles ingevuld in mijn spreekplan

Slide 30 - Poll

HUISWERKOPDRACHT
Welke manieren om spanning op te bouwen herkende je in de trailer
(gevaarlijke omgeving of gevaarlijke situatie, een onverwachte wending, cliffhanger, je krijgt een vermoeden hoe het afloopt, maar weet nog niet hoe, je bent bijna bij de ontknoping, maar het wordt nog uitgesteld)?

Slide 31 - Open vraag

Pitches staan ingepland
- Kijk in Som wanneer je aan de beurt bent
- LET OP: Misschien lopen we uit en wordt jouw Pitch verplaatst

Slide 32 - Tekstslide

Volgende week: oefenpitch!
  • Iedereen gaat een elevator pitch geven van ong. 1 minuut.
  • Over een boek dat je al gelezen hebt (Koning Valentijn/King en de drakenvlinders zijn of een ander boek).
  • In de pitch gebruik je 1 beoordelingswoord + argument en 
        2 fictiebegrippen
  • Jullie gaan elkaar feedback geven (tips & tops).
  • Oefen thuis met een timer!

Slide 33 - Tekstslide

timer
1:00

Slide 34 - Tekstslide

Welke (zeven) fictiebegrippen moet je benoemen in je Pitch?


Slide 35 - Open vraag

Wat vind je nog lastig bij het onderdeel Fictie en Spreekvaardigheid?


Slide 36 - Open vraag

Wat is jouw sterke punt bij het onderdeel Fictie en Spreekvaardigheid?


Slide 37 - Open vraag