keuzevoorzetsels

Keuzevoorzetsels 3e  of 4e ?
bij: plaats              (Wo? - 3 / Wohin? -  4)
tijd                (Wann? altijd 3)
of de 2/7 regel              (auf und über 4  -2 voorz.)
                                     rest - 7 voorz. - 3e nv)
1 / 16
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3,4

In deze les zitten 16 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Keuzevoorzetsels 3e  of 4e ?
bij: plaats              (Wo? - 3 / Wohin? -  4)
tijd                (Wann? altijd 3)
of de 2/7 regel              (auf und über 4  -2 voorz.)
                                     rest - 7 voorz. - 3e nv)

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Er staat geen zelfst. naamwoord achter het pers.
voornaamwoord!
Bij bez. voornaamwoorden wel!
unser Lehrer, ihre Tasche

Slide 3 - Tekstslide

PLAATS
Wo ? (rust) Waar is een persoon  of voorwerp   - 3e nv
Wohin? (beweging) Waarheen gaat een persoon of voorwerp 4e
LET op!
sich stellen, sich setzen, sich legen zijn bijzondere ww!
Ich stelle mich ans Fenster.  betekent:
Ik ga bij het raam staan. - niet Ik sta bij het raam.
Ich setze mich auf den Stuhl.  Ich lege mich ins Bett.

Slide 4 - Tekstslide

2/7 regel!
auf und über + 4e
de rest (7 voorzetsels) + 3
Deze regel pas je toe, als geen plaats of tijd in de zin staat. Niet met deze regel beginnen, maar pas als laatste optie 
beschouwen!
Ich habe Angst vor der Klassenarbeit.  (3e naaamval)
Klassenarbeit is geen plaats en geen tijd - dus nu de 2/7 regel!




Slide 5 - Tekstslide

Ich habe das Auto in die Garage (v) gestellt.
richtig
falsch

Slide 6 - Poll

Slide 7 - Link

Kommst du mit in das Stadion? (o)
richtig
Falsch

Slide 9 - Poll

Steht er auf dem Foto neben mich?
richtig
falsch

Slide 10 - Poll

Neben das Mädchen (o) steht ein netter Junge.
richtig
falsch

Slide 11 - Poll

Was verbirgt sich hinter diese Frage (v).
richtig
falsch

Slide 12 - Poll

Ich werde mich neben d..... stellen.
A
dein
B
dir
C
dich
D
du

Slide 13 - Quizvraag

Mein Vater hat sich vorgenommen auf d.....Berg(m) zu steigen.
A
dem
B
den
C
der
D
die

Slide 14 - Quizvraag

Hast du auf mein...... Stuhl(m) gesessen?
A
meinem
B
meinen
C
meiner
D
meine

Slide 15 - Quizvraag

Ich habe den Brief auf sein.... Schreibtisch(m) gelegt.
A
seinen
B
seiner
C
sein
D
seine

Slide 16 - Quizvraag