1. Aan het einde van mijn presentatie heb ik een duidelijk beeld gegeven over het stagebedrijf en maak ik duidelijk welke beroepen er zijn binnen het bedrijf.
2. Aan het einde van mijn presentatie heb ik een duidelijk beeld gegeven van wat ik heb gedaan tijdens de stage.
3. Aan het einde van mijn presentatie heb ik een duidelijk beeld gegeven wat ik heb geleerd, wat ik leuk vond en wat ik minder leuk vond op mijn stage.
4. Ik kan een verzorgde presentatie geven waarin geen spellings-/formuleringsfouten zitten.
5. Ik kan een duidelijk verhaal vertellen met een samenhangende opsomming van punten.
6. Ik kan taal gebruiken die past bij mijn publiek en de situatie.
7. Ik kan vragen duidelijk en volledig beantwoorden.
8. Ik gebruik een rustig spreektempo en zorg voor een afwisselende intonatie.
9. Ik kan gemaakte spreekfouten (vrijwel meteen) herstellen.
10. Ik gebruik een actieve lichaamshouding.