Les 8: nadenken over eten en productinformatie

Les 8: nadenken over eten en productinformatie
1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Les 8: nadenken over eten en productinformatie

Slide 1 - Tekstslide

Inhoud
- Leerdoelen
- Herhalingsopgaven
- Uitleg
- Opgave nadenken over eten en productinformatie
- Filmpje

Slide 2 - Tekstslide

Leerdoelen
  • Je kunt uitleggen dat minder vlees eten beter is voor de gezondheid en voor het milieu.
  • Je kunt de informatie op verpakkingen van voedingsmiddelen verklaren.

Slide 3 - Tekstslide

Waarom bederft suiker niet snel?
A
Bacteriën kunnen niet tegen de witte kleur.
B
Bacteriën kunnen niet tegen de scherpe korreltjes
C
Bacteriën kunnen niet tegen teveel suiker in hun omgeving.
D
Bacteriën kunnen niet tegen te weinig licht.

Slide 4 - Quizvraag

Zet de producten in de juiste volgorde, van geen bacteriën tot de meeste bacteriën op de producten.
Zet de producten met de minste levende bacteriën bovenaan.
Ingevoren vis/ bedorven kip/ gepasteuriseerde melk/ gesteriliseerde groenten/ groenten buiten de koelkast

Slide 5 - Open vraag

Maak de zinnen kloppend.
Bij pasteuriseren wordt het voedsel tot ...
°C verhit. Hierdoor gaan ... bacteriën in het voedsel dood.

Slide 6 - Open vraag

Wat zijn twee voorbeelden van conserveermiddelen?
plastic/stikstof/water/zout/zuurstof

Slide 7 - Open vraag

Wat zijn twee voorbeelden van additieven?
geurstoffen/water/suiker/zuurstof

Slide 8 - Open vraag

Welk product mag worden doorstraald met radioactieve stralen?
A
jam
B
mandarijn
C
water
D
vlees

Slide 9 - Quizvraag

Nadenken over eten en productinformatie
Er zijn nog steeds landen waar mensen, vooral kinderen, doodgaan van de honger. En dat terwijl er genoeg voedsel is om alle mensen op aarde te voeden. Het voedsel is echter niet eerlijk verdeeld.
Op de verpakking van voedingsmiddelen staat allerlei informatie. Om goede en gezonde keuzen te kunnen maken, moet je deze informatie kunnen lezen en begrijpen.

Slide 10 - Tekstslide

Eiwitten
Er zijn landen waar zo veel voedsel wordt geproduceerd dat een deel wordt vernietigd. Ook in Nederland komt dat voor. Soms wordt goed en gezond voedsel gebruikt als veevoer. Anderzijds komt vooral in ontwikkelingslanden veel ondervoeding door eiwitgebrek voor. Bij een tekort aan eiwitten in het voedsel gaan mensen zich slap en moe voelen. Op den duur worden ze ziek. Eiwitten zitten vooral in dierlijke producten, zoals vlees, zuivel en eieren, en in peulvruchten (bonen) en noten.
Koeien eten vooral gras en maïs. Voor elke kilogram dierlijk eiwit die een koe levert, moet het dier tot wel tien kilogram plantaardig eiwit eten. Maar, denk je misschien, wij kunnen toch geen gras eten? 
Dat klopt, maar op de landbouwgrond waarop gras en maïs voor koeien 
groeien, kunnen ook producten worden verbouwd die wij wel eten 
(zie afbeelding).
   

Slide 11 - Tekstslide

Minder vlees eten
Vegetariërs zijn mensen die geen vlees eten. Sommige vegetariërs eten geen vlees van zoogdieren of vogels, maar wel vis en andere zeedieren. Veganisten gebruiken helemaal geen dierlijke producten, dus ook geen melk, eieren of kaas. Flexitariërs zijn mensen die ervoor kiezen om af en toe vlees te eten.
Er zijn veel redenen om geen of minder vlees te eten. De belangrijkste zijn respect voor dieren, je gezondheid, het milieu en het voedselvraagstuk: hoe kunnen we ervoor zorgen dat alle mensen nu en in de toekomst voldoende te eten hebben?
Veel vegetariërs zijn tegen het doden van dieren of tegen de manier waarop dieren worden gehouden. Sommige mensen zijn vegetariër vanwege hun geloof. Er zijn ook mensen die vlees niet lekker vinden (de smaak) of die vlees te duur vinden (de prijs). Anderen zijn vegetariër om gezondheidsredenen. Vlees bevat nuttige voedingsstoffen, zoals eiwit, B-vitaminen en ijzer. Maar als je te veel vlees eet, kan dit juist slecht zijn voor je gezondheid. Het eten van veel rood en bewerkt vlees (zoals worst of hamburgers) kan de kans op een beroerte, diabetes type 2, darmkanker en longkanker vergroten. Je kunt ook kiezen voor geen of minder vlees vanwege het milieu. Voedsel is verantwoordelijk voor 20 tot 35% van de uitstoot van alle broeikasgassen. Meer dan de helft daarvan komt van vlees en zuivel. Minder vlees eten levert veel milieuwinst op. Dat komt doordat er veel land, water en voer nodig is voor het houden van vee. Ook het veevoer moet worden verbouwd en vervoerd. Bovendien zorgen de dieren zelf voor veel uitstoot van broeikasgassen door boeren, winden en mest.

Slide 12 - Tekstslide

Vlees vervangen
Vlees in de maaltijd kun je vervangen door andere eiwitrijke producten, zoals peulvruchten en noten. Daarmee verlaag je het risico op chronische ziekten (ziekten waarvan je niet meer geneest). Ook de impact op het milieu van peulvruchten, ei en noten is veel lager. De klimaatbelasting van peulvruchten is zelfs twintig keer lager dan die van rundvlees.

Een nadeel is dat het ijzer uit deze voeding minder gemakkelijk door het lichaam wordt opgenomen. Vitamine C zorgt ervoor dat ijzer beter door het lichaam wordt opgenomen. Daarom moet je als vegetariër veel fruit en groenten eten. Vitamine B12 komt vrijwel niet voor in plantaardige voedingsmiddelen, maar wel in melk en zuivelproducten. Ook zijn er tabletten vitamine B12 die vegetariërs kunnen gebruiken.
In de supermarkt vind je ook vleesvervangers. Deze producten lijken vaak op vlees. Niet alleen in uiterlijk, maar ook in smaak, samenstelling en voedingswaarde. De meeste vleesvervangers worden gemaakt van sojabonen of eiwit uit granen (zie tabel 1, volgende slide). Aan sommige vleesvervangers is ijzer, eiwit en vitamine B toegevoegd.


Slide 13 - Tekstslide

Tabel 1: voedingswaarde vlees en vegetarische alternatieven

Slide 14 - Tekstslide

Productinformatie
Op de verpakking van voedingsmiddelen staat allerlei informatie. Om goede en gezonde keuzen te kunnen maken, moet je deze informatie kunnen lezen en begrijpen.
Op de verpakking van een voedingsmiddel staat informatie over de inhoud. Dat noem je productinformatie. De fabrikant is wettelijk verplicht de naam van het product, de naam van de fabrikant, de netto-inhoud, de houdbaarheidsdatum en de ingrediëntenlijst op de verpakking te vermelden.
Op de verpakking moet ook een nummer staan: de productiecode of partijcode. Deze geeft weer waar en wanneer een product is gemaakt. Bij voedselbesmetting kan de fabrikant dan nagaan welke verpakkingen waarschijnlijk ook zijn besmet.
Vaak zie je achter de inhoud een grote ‘e’ staan (zie afbeelding 1.2). Die ‘e’ is de eerste letter van het Engelse woord estimate (schatting). De inhoud mag niet te veel afwijken van de opgegeven inhoud.



Slide 15 - Tekstslide

Productinformatie
Op verpakte voedingsmiddelen die niet zo snel bederven, staat ‘Ten minste houdbaar tot … (met de datum)’. Dat is de THT-datum. Tot en met die datum garandeert de fabrikant de kwaliteit van het product, mits het op de juiste manier in een gesloten verpakking is bewaard. Na de THT-datum kun je het product vaak nog wel veilig eten.
Op bederfelijke voedingsmiddelen, zoals melk, staat ‘Te gebruiken tot … (met de datum)’. Dat is de TGT-datum. Vlees, vleeswaren en andere producten die snel bederven, mag je beslist niet langer bewaren dan deze datum aangeeft. In het bewaarvoorschrift staat hoe je het product moet bewaren. De TGT-datum is de laatste dag waarop je het product nog veilig kunt eten. Na die datum moet je de producten weggooien.
De ingrediënten zijn de grondstoffen waaruit het product is samengesteld. Ze zijn in volgorde van afnemende hoeveelheid op de verpakking aangegeven. In de ingrediëntenlijst staan ook de additieven of hulpstoffen. Additieven die geen gevaar opleveren voor de gezondheid, hebben een E-nummer gekregen (zie afbeelding 1.1, vorige slide). Deze stoffen zijn in alle landen van Europa toegestaan.
Sommige mensen zijn overgevoelig (allergisch) voor bepaalde additieven. Aan de hand van de E-nummers kunnen ze zien of ze een bepaald voedingsmiddel kunnen verdragen. Additieven die alleen een nummer hebben (zonder E), zijn slechts in enkele landen van Europa toegestaan.


Slide 16 - Tekstslide

Nutri-score
De Nutri-Score is een label op verpakkingen van eten en drinken (zie afbeelding). Het helpt je snel te zien of een product binnen zijn eigen categorie een gezondere keuze is. De score loopt van A (donkergroen, gezond binnen die groep) tot E (rood, minder gezond binnen die groep).

Hoe werkt het?
• Groene letters (A of B) → Dit zijn de betere keuzes binnen die productgroep, zoals volkoren ontbijtgranen of een pizza met minder vet en zout.
• Oranje of rode letters (D of E) → Deze producten bevatten vaak meer suiker, zout of ongezonde vetten, zoals chocopops of een pizza met veel kaas en salami.
• C → Zit ertussenin.

 

Slide 17 - Tekstslide

Nutri-score
Nutri-Score vergelijkt alleen producten binnen dezelfde soort (zie afbeelding tussendoortjes). Een pizza met Nutri-Score A betekent niet dat deze gezonder is dan een appel of een handje noten. Het betekent alleen dat dit een betere keuze is binnen de groep pizza’s.
Voorbeeld:
Je wilt ontbijtgranen kiezen.
• Muesli zonder toegevoegd suiker heeft Nutri-Score A.
• Chocoladecornflakes hebben Nutri-Score D.
→ De muesli is een gezondere keuze binnen de ontbijtgranen!
Tip: Kijk niet alleen naar de Nutri-Score, maar ook naar de ingrediënten en de hoeveelheid suiker en zout.
 

Slide 18 - Tekstslide

Welke redenen kunnen mensen hebben om minder of geen vlees te eten? Noteer er minstens vijf.

Slide 19 - Open vraag

Slide 20 - Tekstslide

Lees de tekst ‘Waarom een vleesvrije dag?’ op slide 20. Hierin wordt onder andere het milieu genoemd als reden om minder of geen vlees te eten.

Welk ander argument dan energieverbruik wordt in dit verband genoemd?

Slide 21 - Open vraag

In de afbeelding is weergegeven hoeveel voedsel per dag beschikbaar is voor de inwoners van de landen van de wereld.

In welke drie werelddelen kunnen mensen het meest eten?

Slide 22 - Open vraag

In Venezuela bevat het voedsel per inwoner gemiddeld 2517 kcal per dag.

Mag je hieruit concluderen dat alle mensen in Venezuela voldoende voedsel hebben? Leg je antwoord uit.

Slide 23 - Open vraag

Van welke twee voedingsstoffen kun je een tekort krijgen als je geen vlees eet?

Slide 24 - Open vraag

Hoe kun je ervoor zorgen dat je toch genoeg van deze voedingsstoffen binnenkrijgt? Geef dit voor elke voedingsstof die je in vraag hiervoor op slide 24 hebt genoteerd, apart aan.

Slide 25 - Open vraag

In Sudan bestaat 13% van het opgenomen voedsel uit eiwitten, een even hoog percentage als in Nederland. De hoeveelheid opgenomen eiwit is in Sudan echter veel lager dan in Nederland: 71 g/dag tegenover 112 g/dag.
Leg uit hoe dit mogelijk is.

Slide 26 - Open vraag

In Nederland eten we gemiddeld te eiwitrijk voedsel. In veel ontwikkelingslanden zijn mensen juist ondervoed door eiwitgebrek. Sommige mensen beweren dat er in ontwikkelingslanden geen honger meer zou zijn als iedere wereldburger vegetariër werd.
Leg dat uit met behulp van de afbeelding.

Slide 27 - Open vraag

Sommige mensen noemen vlees eten een vorm van voedselverspilling.

Leg dat uit. Denk aan het gebruik van voedingsstoffen in je lichaam.

Slide 28 - Open vraag

Kweekvlees wordt in een laboratorium gekweekt uit stamcellen van dieren. Het proces is nu nog te duur om kweekvlees in de winkel te leggen, maar dat kan in de toekomst veranderen. Bij de productie van kweekvlees worden onder andere eiwitten uit bloed van kalveren als bouwstof gebruikt. Er wordt onderzocht of hiervoor eiwitten uit gekweekte algen kunnen worden gebruikt.

Leg uit dat het gebruik van eiwitten uit algen beter is voor de wereldvoedselsituatie dan het gebruik van eiwitten uit kalveren.

Slide 29 - Open vraag

Op veel voedingsmiddelen staat een TGT-datum of een THT-datum.
Welke afkorting hoort bij de volgende zinnen?
1. De fabrikant garandeert de kwaliteit tot deze datum: TGT of THT?
2. Na deze datum kun je het product vaak nog wel veilig eten: TGT of THT?
3. Na deze datum moet je het product weggooien: TGT of THT?
4. Op het product staat een bewaarvoorschrift: TGT of THT?
5. Op vlees en vleeswaren staat deze datum: TGT of THT?

Slide 30 - Open vraag

Op welke van deze producten staat een TGT-datum?
blikgroente/chips/gehakt/melk/rijst/verse zalm

Slide 31 - Open vraag

In de afbeelding zie je een symbool dat op sommige etiketten staat.
Wat betekent deze 'e'?

Slide 32 - Open vraag

In de afbeelding zie je het etiket van een pot augurken. Hierop staat: ‘530 gram. Uitlekgewicht 290 gram.’
Hoeveel gram augurken zit er in de pot?

Slide 33 - Open vraag

In de afbeelding zie je het etiket van een pak hagelslag.
Welk ingrediënt komt het meest voor in de hagelslag? Leg je antwoord uit.

Slide 34 - Open vraag

Slide 35 - Video

Slide 36 - Video