gebruik van de komma

gebruik van de komma
Schrijf de witte dia's over in je schrift bij de aantekeningen
1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo k, g, t, mavoLeerjaar 1-3

In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

gebruik van de komma
Schrijf de witte dia's over in je schrift bij de aantekeningen

Slide 1 - Tekstslide

Komma
Wanneer gebruik je een komma?


- Tussen delen van een opsomming: Ik koop sla, tomaat, melk en brood.
                                                                             
- Achter/voor een aangesproken persoon: Simon, wat doe je nu?

- Achter een uitroep: Au, dat deed pijn!




Slide 2 - Tekstslide

Waar staat de komma goed?
A
Ik heb maandag een toets voor wiskunde Duits, Frans, ,en Nederlands.
B
Ik heb maandag een toets voor wiskunde, Duits, Frans en Nederlands.
C
Ik heb maandag een toets voor wiskunde Duits Frans, en Nederlands.
D
Ik heb maandag een toets voor wiskunde, Duits Frans en Nederlands.

Slide 3 - Quizvraag

Waar staat het goed?
A
Nee ik heb het helemaal verknald!
B
Nee ik heb het, helemaal verknald!
C
Nee ik, heb het helemaal verknald!
D
Nee, ik heb het helemaal verknald!

Slide 4 - Quizvraag

komma
A
Ik hou van chocolade, dropjes, spekjes en koekjes.
B
Ik hou van chocolade dropjes spekjes en koekjes.
C
Ik hou van chocolade , dropjes, spekjes, en koekjes.
D
Ik hou van chocolade , dropjes spekjes en koekjes.

Slide 5 - Quizvraag

Waar moet de komma?
A
Piet, hoe oud ben jij?
B
Piet hoe oud, ben jij?
C
Piet hoe, oud ben jij?
D
Hier hoeft geen komma

Slide 6 - Quizvraag

Voegwoorden
  • Voegwoorden zijn een soort cement.
  • Je kunt met voegwoorden zinnen aan elkaar plakken.

Slide 7 - Tekstslide

Voegwoorden
Vaak is een samengestelde zin aan elkaar geplakt met een voegwoord.

Het staat vaak na een komma of aan het begin van een zin.

Slide 8 - Tekstslide

Voegwoorden

Slide 9 - Woordweb

Wanneer gebruik je een komma?
Bij een samengestelde schrijf je voor het voegwoord een komma
Ik ga weg, omdat ik naar huis wil.
Hij heeft een voldoende, hoewel hij niet geleerd had.
Je gebruikt geen komma bij de voegwoorden en en of

Slide 10 - Tekstslide

Voor want en omdat zet je een komma.
A
waar
B
niet waar

Slide 11 - Quizvraag

Waar staat de komma goed?
A
Dit weekend heb ik het druk want ik heb heel, veel huiswerk.
B
Dit weekend heb ik het druk, want ik heb heel veel huiswerk.
C
Dit weekend heb ik het druk want, ik heb heel veel huiswerk.
D
Dit weekend, heb ik het druk want ik heb heel veel huiswerk.

Slide 12 - Quizvraag

Waar in de zin moet de komma komen te staan?
Sleep de komma naar de juiste plek.
Dat kan wel zo zijn maar ik wil wel dat je eerst belt!
,

Slide 13 - Sleepvraag

In deze zin moet een komma staan:

'Tim wil je dat boek even aangeven?'
A
waar
B
niet waar

Slide 14 - Quizvraag

Je gebruikt een komma
A
als dat er goed uitziet.
B
je geen zin hebt om een punt te zetten.
C
bij een opsoming.
D
zo min mogelijk.

Slide 15 - Quizvraag

Waar in de zin moet de komma komen te staan?
Sleep de komma naar de juiste plek.
Nee daar ben ik het niet mee eens. 
,

Slide 16 - Sleepvraag

Waar in de zin moet de komma komen te staan?
Sleep de komma naar de juiste plek.
Ik ga naar binnen want ik heb het koud.
,

Slide 17 - Sleepvraag

Achter welk woord moet een komma? Sleep dat woord naar de komma. ( 2 antwoorden goed)
Komma
Dit
moet
je
nog
toevoegen
:
tomaten
prei
en
knoflook
ui.

Slide 18 - Sleepvraag

Achter welk woord moet een komma? Sleep dat woord naar de komma
Komma
Piet 
kun
jij
de
vaatwasser
uitpakken

Slide 19 - Sleepvraag

In een zakelijke mail schrijf je na je aanhef (Geachte heer)altijd een komma.
A
waar
B
niet waar

Slide 20 - Quizvraag

Voor woorden zoals want, maar of omdat zet je een komma.
A
juist
B
onjuist

Slide 21 - Quizvraag

Een komma zet je voor 'en' en 'of'.
A
juist
B
onjuist

Slide 22 - Quizvraag

Wanneer gebruik je een komma?
Tussen twee werkwoorden/persoonsvormen in: Toen ze dat verteld had, begon iedereen te juichen 

Slide 23 - Tekstslide

komma
A
Toen ze thuis kwam, zag ze dat de lamp al brandde.
B
Toen ze thuis kwam zag ze, dat de lamp al brandde.

Slide 24 - Quizvraag

Wat is goed?
A
Terwijl hij naar huis fietste luisterde hij naar muziek.
B
Terwijl hij naar huis fietste, luisterde hij naar muziek.
C
Terwijl hij naar huis, fietste luisterde hij naar muziek.
D
Terwijl, hij naar huis fietste luisterde hij naar muziek.

Slide 25 - Quizvraag

koppelt woorden en zinnen aan elkaar
tussen twee persoonsvormen in
Vรณรณr een voegwoord.
Aan het eind van een vraagzin.
Aan het eind van een gewone zin.
voegwoord
punt
vraagteken
komma
komma

Slide 26 - Sleepvraag

In een zakelijke mail schrijf je na je slotgroet (Met vriendelijke groet)altijd een komma.
A
waar
B
niet waar

Slide 27 - Quizvraag

In welke zin staat de komma / staan de komma's op de juiste plek?
A
Ik ben te laat omdat, ik me verslapen heb.
B
Ik lust graag ijs, chocola, chips, en taart.
C
Als ik tennis, voetbalt mijn broertje.
D
Peter wil jij de afwas doen?

Slide 28 - Quizvraag

Ik weet waar ik een komma moet zetten.
๐Ÿ˜’๐Ÿ™๐Ÿ˜๐Ÿ™‚๐Ÿ˜ƒ

Slide 29 - Poll