DISK thema 7 Ruzie Woordenschrift

DISK thema 7 Ruzie
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
ISKNederlandsISK

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

DISK thema 7 Ruzie

Slide 1 - Tekstslide

Wat ga je deze les doen?
  • Uitleg nieuwe woorden thema 7
  • Zinnen maken met de nieuwe woorden

Slide 2 - Tekstslide

Wat leer je deze les?
  • Ik weet wat de nieuwe woorden van thema 7 betekenen.
  • Ik kan zinnen met de woorden van thema 7 maken. 

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Link

Luisteren naar de nieuwe woorden

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Link

Nieuwe woorden van vandaag
  • Kijk in DISK naar de vertaling van de woorden. 
  • Weet je wat alle woorden betekenen? 







afpakken
blijven
doorgaan
gevolg, het
alleen
cijfer, het
eerder
hard
als
direct
erger
helpen
bedankt
door
gebeuren
kapot

Slide 7 - Tekstslide

Maak een zin met het woord 'afpakken'.

Slide 8 - Woordweb

Maak een zin met het woord 'direct'.

Slide 9 - Woordweb

Maak een zin met het woord 'als'.

Slide 10 - Woordweb

Doorgaan
Schrijf de juiste vorm van het doe-woord op.
  • Ik ...... door.
  • Jij/U ...... door. 
  • Hij/Zij ...... door.
  • Wij/Jullie/Zij ...... door 

Slide 11 - Tekstslide

Gebeuren
Schrijf de zin in de juiste volgorde.

gebeurde - gisteren - het ongeluk - op de hoek van de straat

Slide 12 - Tekstslide

Nieuwe woorden van vandaag
  • Kijk in DISK naar de vertaling van deze woorden.
  • Weet je wat alle woorden betekenen?




aflopen
baby, de
chat, de
duwen
allebei
bril, de
daarna
eenvoudig
allerlei
brutaal
dom
eng
angst, de
buikpijn, de
doorlopen
ernstig

Slide 13 - Tekstslide

Maak een zin met het woord 'aflopen'.

Slide 14 - Woordweb

Maak een zin met het woord 'eng'.

Slide 15 - Woordweb

Maak een zin met het woord 'daarna'.

Slide 16 - Woordweb

Doorlopen
Schrijf de juiste vorm van het doe-woord op.
  • Ik ...... door.
  • Jij/U ...... door. 
  • Hij/Zij ...... door.
  • Wij/Jullie/Zij ...... door 

Slide 17 - Tekstslide

Brutaal
Schrijf de zin in de juiste volgorde.

stuurt - de docent - de brutale jongen - naar huis

 

Slide 18 - Tekstslide

De volgorde van zinnen
Wat kun je vertellen over de volgorde van een zin?

Slide 19 - Tekstslide

De volgorde van een zin
1= wie: mensen, dieren of dingen
2 = het doe-woord
3 = wat 



1
2
3
De broers
koken
pasta.
De broers
koken
vanavond
De broers
koken
thuis.

Slide 20 - Tekstslide

De volgorde van een zin
Kun je hier een zin van maken?
1
2
3
De broers
koken
pasta.
De broers
koken
vanavond
De broers
koken
thuis.

Slide 21 - Tekstslide

Volgorde 





maken - huiswerk - vandaag - de leerlingen - in de les
Wie
doewoord
Wanneer
Wat
Waar
(1)
(2)
(3)
(4)
(5)

Slide 22 - Tekstslide

Volgorde 





maken - hun huiswerk - vandaag - de leerlingen - in de les
Wie
Werkwoord
Wanneer
Wat
Waar
De leerlingen
(2)
(3)
(4)
(5)

Slide 23 - Tekstslide

Volgorde 





maken - hun huiswerk - vandaag - de leerlingen - in de les
Wie
Werkwoord
Wanneer
Wat
Waar
De leerlingen
maken
(3)
(4)
(5)

Slide 24 - Tekstslide

Volgorde 





maken - hun huiswerk - vandaag - de leerlingen - in de les
Wie
Werkwoord
Wanneer
Wat
Waar
De leerlingen
maken
vandaag
(4)
(5)

Slide 25 - Tekstslide

Volgorde 





maken - hun huiswerk - vandaag - de leerlingen - in de les
Wie
Werkwoord
Wanneer
Wat
Waar
De leerlingen
maken
vandaag
hun huiswerk
(5)

Slide 26 - Tekstslide

Volgorde 





maken - hun huiswerk - vandaag - de leerlingen - in de les
Wie
Werkwoord
Wanneer
Wat
Waar
De leerlingen
maken
vandaag
hun huiswerk
in de les

Slide 27 - Tekstslide

begint-de les-om negen uur

Slide 28 - Open vraag

een nieuwe fiets-hij-koopt

Slide 29 - Open vraag

geslapen-ik-tot tien uur-heb

Slide 30 - Open vraag

in mijn bed - gisteren om 10 uur - ik - lag

Slide 31 - Open vraag

een paar dagen - ik - met vrienden - ga - naar Parijs

Slide 32 - Open vraag