mavo4: th.10 Regeling voorbereiding toets

Zenuwcellen
  • Geleiden impulsen
  • Bestaan uit een cellichaam met   daarin de celkern
  • Het cellichaam heeft uitlopers. 
  • Via de uitlopers gaan impulsen   naar spier of klier 
  • Kunnen meer dan een meter lang   zijn
1 / 49
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

In deze les zitten 49 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 8 videos.

Onderdelen in deze les

Zenuwcellen
  • Geleiden impulsen
  • Bestaan uit een cellichaam met   daarin de celkern
  • Het cellichaam heeft uitlopers. 
  • Via de uitlopers gaan impulsen   naar spier of klier 
  • Kunnen meer dan een meter lang   zijn

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Video

Typen zenuwcellen

Drie typen zenuwcellen:

  1.  Gevoelszenuwcellen
  2.  Schakelcel
  3.  Bewegingszenuwcel

Gevoelszenuwcellen

Schakelcel
Bewegingszenuwcel

Slide 3 - Tekstslide

Typen zenuwen
  • Gevoelszenuw bevat alleen uitlopers van     gevoelszenuwcellen (bijvoorbeeld de oogzenuw)
  • Bewegingszenuw bevat alleen uitlopers van 
       bewegingszenuwcellen
  • Gemengde zenuw bevat uitlopers van zowel de  
      gevoelszenuwcellen als de bewegingszenuwcellen.
      De meeste zenuwen in het lichaam zijn gemengde zenuwen.

Slide 4 - Tekstslide

Gevoelszenuwcel
  • Geleiden impulsen van  
       zintuigen naar het centrale         zenuwstelsel
  • Cellichamen liggen vlak bij   het centrale zenuwstelsel

Slide 5 - Tekstslide

Bewegingszenuwcel
  • Geleiden impulsen van het  
       centrale zenuwstelsel naar         spieren of klieren
  • Cellichamen liggen IN het  
       centrale  zenuwstelsel

Slide 6 - Tekstslide

Schakelcel
  • Schakelcellen geleiden impulsen binnen het centrale zenuwstelsel
  • Liggen dus helemaal in het centrale zenuwstelsel!
  • Verbind de andere twee als een "schakel"

Slide 7 - Tekstslide

Zenuwen
De uitlopers in een bundel bij elkaar: zenuwen

Om elke uitloper zit een isolerend laagje: impulsen kunnen niet "overspringen" naar andere uitloper

Een laagje bindweefsel, dat om het isolerende laagje zit, bundelt de uitlopers en   beschermd de zenuw

Slide 8 - Tekstslide

welke cellen zijn zenuwcellen?
A
B
C
D

Slide 9 - Quizvraag

Welke zenuwcellen geleiden impulsen van het centraal zenuwstelsel naar de spieren?
A
Schakelcellen
B
Bewegings zenuwcellen
C
Gevoelszenuwen
D
Alle zenuwcellen

Slide 10 - Quizvraag

Wat voor type zenuwcel is zenuwcel 1?
A
Bewegingszenuwcel
B
Schakelcel
C
Gevoelszenuwcel
D
Weet ik niet

Slide 11 - Quizvraag

Grote hersenen
Hersenstam
Kleine hersenen 
Ruggenmerg
Zet de juiste namen bij de onderdelen van het centraal zenuwstelsel

Slide 12 - Sleepvraag

Schakelcel
Bewegingszenuwcel
Gevoelszenuwcel

Slide 13 - Sleepvraag

Zenuwcellen
Uitleg

Slide 14 - Tekstslide

Zenuw = een bundel uitlopers van zenuwcellen

dus: Zenuw ≠ zenuwcel
Uitleg

Slide 15 - Tekstslide

3 het ruggenmerg
Je kunt delen van het ruggenmerg noemen met hun functies en kenmerken
  • Grijze stof (merg) bevat cellichamen van bewegingszenuwcellen en schakelcellen
  • Witte stof (schors) bevat uitlopers van zenuwcellen
  • Zenuwknoop bevat cellichamen van gevoelszenuwcellen

Slide 16 - Tekstslide

4 de hersenen 
Je kunt delen van de hersenen benoemen met hun functies en kenmerken
  • Grote hersenen = bewuste reacties
  • Kleine hersenen = coordineren bewegingen
  • Hersenstam = Impulsen geleiden van ruggenmerg en organen in het hoofd richting hersenen en aansturen belangrijke levensfuncties zoals hartslag en ademhaling

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Video

kleine hersenen
hersenstam
grote hersenen

Slide 19 - Sleepvraag

Grote hersenen
Kleine hersenen
Hersenstam
Stemt bewegingen op elkaar af
Verstuurt impulsen
Hersencentra
Reguleert de ademhaling
Geheugen
Hersenschors

Slide 20 - Sleepvraag

Slide 21 - Video

alcohol en medicijnen
Je kunt de risico's van overmatig gebruik van medicijnen, alcohol en drugs beschrijven
  • Overdracht van impulsen kan worden geremd of gestimuleerd
  • Kan zorgen voor blijvend hersenletsel of achteruitgang in functioneren hersenen

Slide 22 - Tekstslide


Deelname aan het verkeer is vlak na het gebruik van ongeveer twee glazen alcoholhoudende drank verboden. Hierover worden twee beweringen gedaan.
   1   Het belangrijkste effect van alcohol op het zenuwstelsel is dat je hersenen beter functioneren.
   2   Door de alcohol uit drie of meer glazen neemt de reactiesnelheid tijdens het sturen af.
Welke van deze beweringen is (zijn) juist?
A
Alleen bewering 1.
B
Alleen bewering 2.
C
Bewering 1 en 2.
D
Geen van beide beweringen.

Slide 23 - Quizvraag

5 reflexboog
Je kunt de functies van reflexen noemen en de reflexboog bescihrijven 
Reactie vindt plaats voordat impuls bij grote hersenen aankomt
Functie: bescherming van het lichaam

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Video

Ella wordt geknepen door haar zusje, ze trekt haar arm terug.
Zet de woorden in de juiste volgorde.
Schakelcel
Schakelcel
Spieren
Bewustwording
Zintuigcel
Hersenen
Impulsen
Impulsen
Prikkel

Slide 26 - Sleepvraag

Bekijk de afbeelding
Is dit een bewuste reactie
of een reflex?
A
Bewuste reactie
B
Reflex

Slide 27 - Quizvraag

6 hormoonstelsel
Je kunt de bouw en functies van het hormoonstelsel beschrijven en in een afbeelding de belangrijkste hormoonklieren benoemen

Slide 28 - Tekstslide

HORMOONSTELSEL
ZENUWSTELSEL
snel
langzaam
impulsen
via bloed
kort
langdurig
Specifiek
via zenuwen
hormonen

Slide 29 - Sleepvraag

Welke hormonen horen bij welke klier?
Groeihormoon
Schildklierhormoon
Adrenaline
Insuline
Glucagon
Testosteron
Progesteron
Oestrogeen

Slide 30 - Sleepvraag

Je kunt de werking beschrijven van hormonen uit de hypofyse en schildklier
Hypofyse
Schildklier
Groeihormoon
stimuleert groei van beenderen
Schildklier-hormoon
Stimuleert groei en ontwikkeling
Stimulerende hormonen
Sturen andere hormoonklieren aan
Stimuleert de stofwisseling (verbranding)

Slide 31 - Tekstslide

Adrenaline

Slide 32 - Tekstslide

Slide 33 - Video

Adrenaline

Slide 34 - Tekstslide

Schildklierhormoon
Maakt het schildklierhormoon -->

stimuleert de verbranding in je lichaamscellen.

Slide 35 - Tekstslide

Slide 36 - Video

Hypofyse
De hypofyse maakt hormonen die de eierstokken en teelballen aansturen.

Slide 37 - Tekstslide

Groeihormoon
  • ​Wordt gemaakt in de hypofyse: Ligt tegen de onderzijde van de hersenen, tussen beide helften in.​​
  • Groeihormoon regelt de groei van de beenderen van het skelet.
  • Te veel groeihormoon: reuzengroei.
  • Te weinig groeihormoon: dwerggroei​.

Slide 38 - Tekstslide

Teveel en te weinig groeihormoon

Slide 39 - Tekstslide

Slide 40 - Video

glucagon
  • Te weinig glucose in je bloed         -> glucagon.

  • Glucose-gehalte gaat omhoog

Slide 41 - Tekstslide

Suikerziekte
1 = alvleesklier maakt geen insuline

2 = lichaam reageert slecht op insuline

Gevolg?

Slide 42 - Tekstslide

Eilandjes van Langerhans
Alpha cellen
maken glucagon

Beta cellen
maken insuline

Glucagon en insuline zijn elkaars antagonisten

Slide 43 - Tekstslide

insuline
  • teveel glucose in bloed: alvleesklier maakt insuline. 
  • insuline: glucose wordt in de lever en spieren opgeslagen als glycogeen  

Slide 44 - Tekstslide

Slide 45 - Video

Je kunt de werking beschrijven van hormonen uit de eilandjes van langerhans en de bijnieren
Eilandjes van langerhans
Bijnieren
Insuline (Veel suiker in bloed)
Zet glucose om in glycogeen
Adrenaline
Activeert lichaamsprocessen zodat je in actie kan komen
Glucagon (weinig suiker in bloed)
Zet glycogeen om in glucose

Slide 46 - Tekstslide

waarom kun je de hypofyse het regelcentrum van het hormoonstelsel noemen?
A
hypofysehormonen sturen andere hormoonklieren aan
B
het is het enige hormoonklier in de hersenen
C
de hypofyse scheidt alle hormonen uit
D
de hypofyse is klein maar regelt alles

Slide 47 - Quizvraag

Welke invloed heeft insuline op het glucosegehalte van het bloed?
A
door insuline daalt het glucosegehalte in het bloed
B
door insuline stijgt het glucosegehalte in het bloed

Slide 48 - Quizvraag

Slide 49 - Tekstslide