Bs 1: Het zintuigenstelsel

11.1 en 11.2 zintuigen en adequate prikkels
Leerdoelen:
11.1.1 Je kunt de werking van zintuigen beschrijven.

11.2.1 Je kunt aangeven waar het gezichtszintuig, het gehoorzintuig en het evenwichtszintuig liggen en wat hun adequate prikkels zijn.

11.2.2 Je kunt aangeven waar de zintuigcellen in je huid, de reukzintuigcellen en de smaakzintuigcellen liggen, hoe ze werken en wat hun adequate prikkels zijn.

Begrippen
adequate prikkel, drempelwaarde, gewenning, motivatie






1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmbo g, t, mavoLeerjaar 4

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

11.1 en 11.2 zintuigen en adequate prikkels
Leerdoelen:
11.1.1 Je kunt de werking van zintuigen beschrijven.

11.2.1 Je kunt aangeven waar het gezichtszintuig, het gehoorzintuig en het evenwichtszintuig liggen en wat hun adequate prikkels zijn.

11.2.2 Je kunt aangeven waar de zintuigcellen in je huid, de reukzintuigcellen en de smaakzintuigcellen liggen, hoe ze werken en wat hun adequate prikkels zijn.

Begrippen
adequate prikkel, drempelwaarde, gewenning, motivatie






Slide 1 - Tekstslide

Geef deze les vanuit de context van eten. Welk eten vinden de leerlingen lekker en wat is allemaal van planten gemaakt.
'
doel is vooral dat leerlingen snappen dat planten: vetten, koolhydraten, en eiwitten maken d.m.v. glucose.
ONDERHAND WEET JE DIT WEL!
WAT IS EEN ZINTUIG?

Slide 2 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 3 - Video

Deze slide heeft geen instructies

De tong
In de tong liggen smaakknopjes
Deze bevatten smaakzintuigcellen
Er zijn maar 5 soorten smaakzintuigcellen:
zoet, zuur, zout, bitter, umami
De smaakzintuigcellen geven een impuls 
door via de zenuwen naar de hersenen

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe ruik je?
  • Je ruikt met je reukzintuig

  • Het reukzintuig is deel van
     het neusslijmvlies

  • Geurstoffen komen via de 
     lucht bij het reukzintuig

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Maaaar zo'n zintuig reageert alleen maar als de prikkel sterk genoeg is.
We noemen dit de drempelwaarde
Een zintuig reageert alleen als de prikkel sterk genoeg is.
We noemen dit de drempelwaarde
Alleen boven de drempelwaarde worden er impulsen doorgegeven.

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

vraagje tussendoor
Heeft een hond een lagere of hogere drempelwaarde voor geuren dan een mens ?

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Antwoord
Honden hebben een lagere drempelwaarde voor geur dan mensen, wat betekent dat de zwakste geurprikkel bij een hond al een waarneming kan veroorzaken

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

drempelwaarde en adequate prikkel
Drempelwaarde: de minimale sterkte om iets waar te nemen.

Dus, de zwakste prikkel die een impuls veroorzaakt, heet de drempelwaarde. Als een prikkel zwakker is dan de drempelwaarde, ontstaan er geen impulsen. Een heel zacht geluid hoor je bijvoorbeeld niet.

Elk type zintuigcel is speciaal gevoelig voor één bepaalde prikkel: de adequate prikkel (zie afbeelding hiernaast). Zo is licht de adequate prikkel voor de zintuigcellen in je oog. De drempelwaarde voor de prikkel licht is voor deze zintuigcellen heel laag.

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Adequate prikkel
Een prikkel waar het zintuig gevoelig voor is, heet een adequate prikkel voor dat zintuig.

Voor de gezichtszintuigen is licht de adequate prikkel.
Voor de gehoorzintuigen is geluid de adequate prikkel.
Voor de reukzintuigen is geur de adequate prikkel.
Voor de smaakzintuigen zijn zoet, zout, zuur en bitter adequate prikkels.
Voor de gevoelszintuigen zijn druk, warmte, kou en pijn adequate prikkels.

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Drempelwaarde
Een prikkel moet een drempelwaarde halen om waargenomen te worden

Bitter heeft de laagste drempelwaarde
Zoet de hoogste

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Niet-adequate prikkels
- Niet-adequate prikkels : Prikkel wat niet bij het zintuig hoort . Zintuigcellen kunnen dus ook andere prikkels opvangen.

De drempelwaarde voor deze prikkels is veel hoger. 

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Adequate prikkel

Slide 13 - Tekstslide

Vul voor jezelf aan
Substraat: is wat wordt omgezet/verwerkt in een enzym
Active centrum: waar substraat bind met enzym
reactieproduct: wat uit de reactie komt
Drempelwaarde
Drempelwaarde = minimale sterkte om iets waar te nemen.

Henk gaat op bezoek bij Ingrid, Ingrid woont naast een spoor. Henk wordt gek van het geluid, maar Ingrid snapt er niets van. 

> Waarom wordt Henk er wel gek van, maar Ingrid niet?

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Drempelwaarde
> Waarom wordt Henk er wel gek van, maar Ingrid niet?


Gewenning: Als een bepaalde prikkel vaak herhaald wordt, reageer je daar niet meer op. De zintuigcellen ontvangen dan langere tijd dezelfde prikkels en daardoor ontstaan minder impulsen. Dit noem je gewenning. 

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Drempelwaarde
Gewenning verhoogt de drempelwaarde
> Je hebt een sterkere prikkel nodig om waar te nemen.

Motivatie (b.v. goed luisteren) verlaagt de drempelwaarde
> Je kunt minder sterke prikkels waarnemen omdat je focust.

Motivatie is de bereidheid van een dier om bepaald gedrag uit te voeren

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Motivatie en drempelwaarde
  • Motivatie is de bereidheid van een mens/dier om bepaald gedrag uit te voeren
  • Hogere motivatie zorgt voor lagere drempelwaarde en andersom

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Drempel, gewenning, motivatie
Je kan de drempelwaarde (het muurtje) verhogen en verlagen:

door gewenning: Als je gewend raakt aan prikkels, verhoogt de drempelwaarde. (muur omhoog)
door motivatie: als je je op prikkel focust, verlaag je de drempelwaarde. (muur omlaag)

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Waarneming 
Hoe je iets waarneemt wordt beïnvloed door:
  1. gewenning
  2. motivatie
  3. hoe snel je hersenen een waarneming verwerken. B.v. een woord lezen gaat veel sneller dan het oplezen van een kleur. we woorden eerder bewust van het woord dan van de kleur.

Probeer het maar (zie afbeelding)!


Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Waarneming in de hersenen

Wat zie je hier?

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een adequate prikkel?
A
De prikkel waar een zintuig niet op reageert
B
Een prikkel die steeds maar doorgaat.
C
De minimale sterkte van een prikkel
D
De prikkel waar een zintuig op reageert

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een drempelwaarde?
A
De hoogste prikkel waarbij een zintuig reageert
B
De laagste prikkel waarbij een zintuig reageert
C
De hoogste prikkel waarbij de hersenen reageren
D
De laagste prikkel waarbij de hersenen reageren

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

wat is geen gewenning?
A
je ruikt na een tijdje je geurtje niet meer
B
je ruikt de appeltaart na een tijd niet meer
C
je ruikt de vieze was
D
je ruikt de hond niet meer

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is motivatie?
A
De zin om een handeling uit te voeren
B
Alles wat een mens of dier doet
C
Niet meer reageren op een bepaalde prikkel
D
Aandacht voor anderen

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Als een voetballer een bal tegen zijn oog aankrijgt ontstaan er impulsen in je ogen. Je kan dan "sterretjes" zien.

Is de druk van de bal voor je ogen een adequate of niet-adequate prikkel?
A
Adequate prikkel
B
Niet-adequate prikkel

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Probeer dit thuis: Geven waarnemingen van de warmte- en koudezintuigen in de huid een betrouwbare aanwijzing voor de temperatuur?

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is jouw conclusie van de afgelopen experiment?

Slide 27 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag!
  1. LEES BS11.1 - schrijf in je schrift de begrippen over of maak een samenvatting. Teken een paar plaatjes over! Zo leer je goed.
  2. MAAK in boek – OPD. 1 T/M 9
  3. KIJK NA! 

  4. info en oefeningen


  5. Doe per paragraaf de Test Jezelf online.

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies