Opdracht 2 – Veelvoorkomende zinnen in het examen
Doel: Leerlingen bekend maken met de meest voorkomende vraagzinnen uit het examen.
Opdracht: Lees de Spaanse vragen en kies het juiste Nederlandse antwoord.
1. ¿Qué dice el autor sobre…?
a) Wat zegt de schrijver over…?
b) Waar is de schrijver?
c) Waarom schrijft de schrijver dit?
2. Según el texto, ¿qué es correcto?
a) Wat zegt het boek hierover?
b) Volgens de tekst, wat is juist?
c) Hoe kan je dit oplossen?
3. ¿Cuál es el propósito del texto?
a) Wat is het doel van de tekst?
b) Waar gaat de tekst over?
c) Wat is de titel van de tekst?
4. ¿Cuál es la idea principal del párrafo 2?
a) Wat is de hoofdgedachte van alinea 2?
b) Wat gebeurt er in hoofdstuk 2?
c) Hoeveel woorden staan er in alinea 2?