Recap grammar U.1 B2

The Present Simple: to be + to have got

                                  To be (zijn)
  • I
  • you
  • He / she/ it
  • we
  • you
  • they

  • am
  • are
  • is
  • are
  • are
  • are
to have got (hebben)
have (got)
have (got)
has   (got)
have (got)
have (got)
have (got)
1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvmbo gLeerjaar 3

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

The Present Simple: to be + to have got

                                  To be (zijn)
  • I
  • you
  • He / she/ it
  • we
  • you
  • they

  • am
  • are
  • is
  • are
  • are
  • are
to have got (hebben)
have (got)
have (got)
has   (got)
have (got)
have (got)
have (got)

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Speaking English
Recap grammar U.1

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De present simple, wat weet je hier nog van?

Slide 3 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

What is plural? 
Meervoud  = Plural 

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Plurals - meervouden
Laatste letter
Enkelvoud
Meervoud
Algemene regel 
dog, radio
dogs, radios
-s klank
bus, box
buses, boxes
medeklinker + -o
tomato, hero
tomatoes, heroes
medeklinker + -y
city, hobby
Cities, hobbies
Eindig op -f / -fe
wolf, knife
wolves, knives
Onregelmatig
man, mouse
men, mice

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Plural of: child
A
child
B
childs
C
childrens
D
children

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Plural of: puppy
A
puppies
B
puppy's
C
puppys
D
puppen

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Plural of: tomato
A
tomatos
B
tomaten
C
tomato's
D
tomatoes

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De present simple
  • De present simple is een vorm van de tegenwoordige tijd.
  • Je gebruikt de present simple bij gebeurtenissen die
    ... altijd ...
    ... nooit ...
    ... regelmatig plaatsvinden (gewoontes)
Je gebruikt de present simple ook bij feiten (waar je niks aan kan veranderen).

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe maak je de Present Simple? 
I work
Do I work?
I don't work
You work
Do you work?
You don't work
He/She/It works
Does he/she/it work?
He/She/It doesn't work
We work
Do we work?
We don't work
You work
Do you work?
You don't work
They work
Do they work?
They don't work
Hoe maak je de Present Simple?

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Present simple:
welke zin is present simple?
A
I am walking to school.
B
They walked to school.
C
We have walked to school.
D
He walks to school.

Slide 11 - Quizvraag

Present simple:
Rule Example
 Je gebruikt de tegenwoordige tijd (present simple)
als je het over het volgende hebt:
• feiten Water boils at 100 degrees.
• gewoontes I usually get up at 6.30.
• toekomst als je een rooster/tijdschema/programma hebt ;The train leaves at 7.30.
• levendig beschrijving/dramatisch effect;
In 1099 William conquers England
Altijd hele werkwoord behalve SHIT: +S
I walk -> He walks

Present Simple
Welke zin is present simple?
A
Lucy lives in London.
B
Lucy lived in London.
C
Lucy is living in London.
D
Lucy has lived in London.

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple (+)
He ........ a present (to have got)

Slide 13 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple (-):
She ...... (to be) happy.

Slide 14 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple (?):
___ he ___(do) his homework?

Slide 15 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke voornaamwoorden ken je? Denk aan persoonlijk, bezitterlijke en wederkerende voornaamwoorden

Slide 16 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

2. Pronouns
Persoonlijk
I          -   me
You   -   you
He     -   him
She   -   her
It        -   it
You   -   you
We    -   us
They  -  them
Bezitterlijk
My         -   Mine
Your      -   Yours
His         -   His
Her        -   Hers 
Its          -   His/hers
Your      -    Yours
Our        -   Ours
Their      -   Theirs
Wederkerend
Myself
Yourself
Himself
Herself
Itself
Ourselves
Yourselves
Themselves

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Persoonlijke voornaamwoorden zijn..
A
I, you, he/she/it, we, they, you
B
My, mine, yours, theirs
C
What, who, where, when, why

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat zijn allemaal bezittelijke voornaamwoorden?
A
my, your, us
B
he, his, hers
C
their, our, mine
D
its, me, our

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vul het juiste wederkerende voornaamwoord in:
The cat washes ______.
A
himself
B
itself
C
herself
D
myself

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Reflexive and Reciprocal Pronouns
Match the pronoun to its respective reflexive/reciprocal pronouns.
I
you (singular)
you (plural)
she
he
it
we
they (plural)
myself
themselves
itself
himself
yourself
yourselves
ourselves
herself

Slide 21 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Reflexive pronoun:
My friends organised the party _______

Slide 22 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de 'reflexive pronouns'?
He saw ..... in the mirror.

Slide 23 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Reflexive pronouns:
You should take care of .....................

Slide 24 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Reflexive pronouns:
I looked at ................. in the mirror.

Slide 25 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

See you tomorrow!

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

See you next week!

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies