H1: nakijken 1 t/m 5, herhalen zd (1.4), maken 7 - 9

- Nakijken opdr. 1 t/m 5 van Gram. h1
- Herhalen bouwplan (zinsdelen)
- Hw: opdr. 7 t/m 9


1 / 14
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 2

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

- Nakijken opdr. 1 t/m 5 van Gram. h1
- Herhalen bouwplan (zinsdelen)
- Hw: opdr. 7 t/m 9


Slide 1 - Tekstslide

Lesdoelen
Grammatica (werkwoordsvormen):
- Je kunt de persoonsvorm, het hele werkwoord (infinitief) en het voltooid deelwoord herkennen.

Grammatica (zinsontleding):
- Je kunt het bouwplan van een zin maken.

Slide 2 - Tekstslide

Nakijken opdr. 1 (blz. 20)
  • 2 Dat heb je mooi gemaakt. | Dat had je mooi gemaakt.
  • 3 Kunnen jullie dat probleem zelf oplossen? | Konden jullie dat probleem zelf oplossen?
  • 4 Wij moeten de trein naar Apeldoorn halen. | Wij moesten de trein naar Apeldoorn halen.
  • 5 De dokter heeft de patiënt grondig onderzocht. | De dokter had de patiënt grondig onderzocht.
  • 6 Onze kat mag een dag niet eten. | Onze kat mocht een dag niet eten.

Slide 3 - Tekstslide

Nakijken opdr. 1 (blz. 20)
  • 7 Ik moet nodig mijn huiswerk maken. | Ik moest nodig mijn huiswerk maken.
  • 8 De film kan nog niet beginnen. | De film kon nog niet beginnen.
  • 9 De politieman wilde hem aanhouden. | De politieman wil hem aanhouden.
  • 10 Kon je het weer niet laten? | Kun je het weer niet laten?

Slide 4 - Tekstslide

Verandert niet als je de zin van tijd verandert
Er staat altijd een persoonsvorm in de zin.
Begint met ge-, be- of ver-.
Maken
Gemaakt
Hele werkwoord (infinitief)
Voltooid deelwoord
(vdw)

Slide 5 - Sleepvraag

Nakijken opdr. 3 (blz. 21)
A. Wij maken ons huiswerk na schooltijd.

B. Wij zullen ons huiswerk na schooltijd maken.

- Het werkwoord maken heeft in zin A de vorm van een persoonsvorm. Leg uit waarom.
- Het werkwoord maken heeft in zin B de vorm van een heel werkwoord (infinitief). Leg uit waarom.

Slide 6 - Tekstslide

Nakijken opdr. 4 + 5 (blz. 21)
Onderstreep de werkwoorden en benoem ze (pv, inf. of vdw).
  • Heb jij weleens een krokodil in het wild gezien?  
  • Meestal ligt hij te slapen.  
  • Dat lijkt maar zo.  
  • De krokodil wacht met alleen zijn ogen, neus en oren boven water roerloos op een prooi.  
  • Op het allerlaatste moment zal hij in actie komen.  
  • Met een onverwacht snelle beweging grijpt hij zijn prooi.  

Slide 7 - Tekstslide

Nakijken opdr. 4 + 5 (blz. 21)
Onderstreep de werkwoorden en benoem ze (pv, inf. of vdw).
  • Het prooidier is ten dode opgeschreven.  
  • De krokodil zal zijn prooi niet meer loslaten.  
  • Wild schudt hij zijn vangst heen en weer.  
  • Tot er een stuk vlees heeft losgelaten.  
  • In de natuur geldt nu eenmaal het recht van de sterkste. 

Slide 8 - Tekstslide

Het bouwplan

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Maak een zin met het volgende bouwplan:
Wie of wat? | Handeling| Waar? | Hoe?

Slide 11 - Open vraag

Maak een zin met het volgende bouwplan:
Wie of wat? | Wanneer?| Handeling | Waarheen?

Slide 12 - Open vraag

Maak een zin met het volgende bouwplan:
Waar? | Handeling| Wie of wat? | Hoelang?

Slide 13 - Open vraag

Huiswerk
Maken opdr. 7 t/m 9 van Gram. H1
(blz. 23)

Slide 14 - Tekstslide