LES 4: TAALVERZORGING (START)

1 / 34
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsPraktijkonderwijsLeerjaar 2

In deze les zitten 34 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Startklaar 
       
       Pak je Chromebook/ laptop voor je
       Start je Chromebook/ laptop op
       Log in op www.lessonup.app 
       Stop je telefoon in je tas of in je jas
      
timer
2:30

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Inleiding
We hebben inmiddels 3 hoofdstukken behandeld:
  • Woordenschat (moeilijke woorden)
  • Lezen (zoekend lezen)
  • Luisteren (reclame en sluikreclame)

De komende twee lessen houden we ons bezig met het hoofdstuk Taalverzorging. 
Vandaag gaan we het hebben over sterke en zwakke werkwoorden.

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
Aan het einde van de les ...
  • kan ik veelgemaakte fouten met hun/zij herkennen en verbeteren.

Slide 4 - Tekstslide

Leerdoelgericht werken: 
Voor iedere leerling is duidelijk waar er aan gewerkt gaat worden. Docenten geven vanuit deze leerdoelen vorm aan
de inhoud van hun lessen. Om dit voor leerlingen behapbaar te houden wordt alleen het hoognodige aangeboden. Iedere les worden de beoogde leerdoelen kenbaar gemaakt en
worden onderwijsactiviteiten ingezet die moeten leiden tot het beoogde leerdoel. Hierbij wordt gericht ingezet op succeservaringen. Leerdoelen worden vanuit hoge positieve verwachtingen van alle leerlingen geformuleerd en zetten in op succeservaringen. 
Geef aan of de zin klopt of niet

Hun werken samen.
A
Deze zin klopt
B
Deze zin klopt niet

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Geef aan of de zin klopt of niet

Hun ouders werken samen.
A
Deze zin klopt
B
Deze zin klopt niet

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Geef aan of de zin klopt of niet

Hun auto is kapot.
A
Deze zin klopt
B
Deze zin klopt niet

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Geef aan of de zin klopt of niet

Hun hebben autopech.
A
Deze zin klopt
B
Deze zin klopt niet

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe kun je het woord 'hun' op de juiste manier gebruiken? Geef een voorbeeld.

Slide 9 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Instructie 
Noteer in je map!
Zwakke werkwoorden veranderen niet van klank in de verleden tijd.
» voelen - voelden 

Sterke werkwoorden veranderen wel van klank in de verleden tijd.
» Lopen - liepen

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag!
Maak zelfstandig opdracht 1:

  1. Lees de zin
  2. Onderstreep  het onderwerp (= wie doet het?)
    » is het hun, zij óf een ander woord?

We kijken het samen na.

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De collega's ruimden <hun/zij> magazijn op.
A
hun
B
zij

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Gelukkig houden <hun/zij> wel van hard werken.
A
hun
B
zij

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hebben <hun/zij> het verkeerde schoonmaakmiddel gebruikt?
A
hun
B
zij

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Mijn broer helpt mijn ouders met het verven van <hun/zij> huis.
A
hun
B
zij

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Gisteren hebben <hun/zij> onze klanten goed geholpen aan de telefoon.
A
hun
B
zij

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Mijn vrienden zeggen <hun/zij> baan op om te gaan reizen.
A
hun
B
zij

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

<hun/zij> vullen de schappen met nieuwe producten.
A
hun
B
zij

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Waarom willen <hun/zij> niet in het weekend werken?
A
hun
B
zij

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Pien heeft <jou/jouw> een e-mail gestuurd.
A
jou
B
jouw

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Heb jij goede ideeën voor de inrichting van <mij/mijn> kamer?
A
mij
B
mijn

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wij zorgen ervoor dat <u/uw> morgen het internet weer kunt gebruiken.
A
u
B
uw

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Het lijkt <mij/mijn> verstandig omd it eerst aan je baas te vragen.
A
mij
B
mijn

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag!
Maak zelfstandig opdracht 1:

  1. Lees de zin
  2. Onderstreep  het onderwerp (= wie doet het?)
    » is het hun, zij óf een ander woord?

We kijken het samen na.

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Persoonlijk voornaamwoord
Noteer in je map!
Persoonlijke voornaamwoorden:
  • Ik - me
  • Je - jij - jou
  • U - hij - zij - ze - het
  • Jullie
  • Wij - we - ons
  • Zij - ze (meervoud)

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bezittelijk voornaamwoord 
Noteer in je map!
  •  M'n - mijn - mijne
  • Je - jouw
  • Z'n - zijn - d'r - haar - uw
  • Ons - onze
  • Jullie
  • Hun

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag!
Maak zelfstandig opdracht 3 op bladzijde 282. 
Doe het als volgt:
  1. Lees de zin
  2. Omcirkel het onderwerp (wie doet het?)
  3. Noteer het werkwoord in de juiste vorm in de zin

Voorbeeld:
Peter mailt (mailen) het idee voor het teamuitje naar alle werknemers.

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Nakijken


Neem bladzijde 282 voor je. 
We kijken opdracht 3 na.

Slide 28 - Tekstslide

In de slotfase van de les controleert de docent of de leerdoelen door alle leerlingen behaald zijn en plaatst de les in de context van de betreffende periode. De docent evalueert samen met de leerlingen de les, het proces en blikt vooruit. 
Hoe ging het maken van de opdracht?
😒🙁😐🙂😃

Slide 29 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
Aan het einde van de les ...
  • kan ik veelgemaakte fouten met hun/zij herkennen en verbeteren.

Slide 30 - Tekstslide

Leerdoelgericht werken: 
Voor iedere leerling is duidelijk waar er aan gewerkt gaat worden. Docenten geven vanuit deze leerdoelen vorm aan
de inhoud van hun lessen. Om dit voor leerlingen behapbaar te houden wordt alleen het hoognodige aangeboden. Iedere les worden de beoogde leerdoelen kenbaar gemaakt en
worden onderwijsactiviteiten ingezet die moeten leiden tot het beoogde leerdoel. Hierbij wordt gericht ingezet op succeservaringen. Leerdoelen worden vanuit hoge positieve verwachtingen van alle leerlingen geformuleerd en zetten in op succeservaringen. 
Maak een zin waarin het woord 'hun' verkeerd is gebruikt.

Slide 31 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Maak een zin waarin het woord 'hun' goed is gebruikt.

Slide 32 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Heb je de leerdoelen behaald?
😒🙁😐🙂😃

Slide 33 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag!

Ga naar Numo
   » Nederlands
      » Taken
         » 28 mei: zij of hun

Ben je klaar?
   » Probeer dan Taak 28 mei: zij of hun (moeilijker)

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies