Les 2 - Syntaxis

Grammatica's
Syntaxis
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
InformaticaMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Grammatica's
Syntaxis

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoel
Je kunt taalregels van een programmeertaal (de syntaxis) op 3 manieren benoemen: op woord-, zins- en contextniveau. Ook kun je op het woordniveau van de syntaxis 6 verschillende soorten woorden en leestekens onderscheiden.

Slide 2 - Tekstslide

Inleiding
Het geheel van taalregels van een programmeertaal heet de syntaxis (in het Engels: syntax)

  • Elke taal heeft zijn eigen syntaxis
  • Deze taalregels zijn heel strikt
  • Een haakje vergeten heeft
     grote gevolgen




Slide 3 - Tekstslide

Verschil tussen grammatica en syntaxis
Grammatica omvat alle regels van een taal, terwijl syntaxis zich richt
op de structuur, volgorde en combinatie van woorden binnen zinnen.




Slide 4 - Tekstslide

Dezelfde code in vier talen – wat valt je op?

Slide 5 - Tekstslide

Syntaxisverschillen – kleine verschillen in code
  • PHP: gebruikt $ in naamgeving variabelen (bijv. $lijst)
  • Javascript: gebruikt let om variabelen te initiëren (bijv. let lijst),
     { en als afbakening van loops en ; als afsluiting van een regel
  • Python: gebruikt scheidingsteken (:) en inspringen om loop af te   bakenen
  • C#: typed, variabelen krijgen een datatype (int, float, string, lijst, etc.)

Tip: probeer bovenstaande te onthouden voor de komende vraag.

Slide 6 - Tekstslide

Syntaxisverschillen – dezelfde code in vier talen
C#
Javascript
Python
PHP

Slide 7 - Sleepvraag

Syntaxisverschillen – dezelfde code in vier talen
Javascript
C#
PHP
Python
Vraag: Wat komt er uit deze programmaatjes?

Slide 8 - Tekstslide

Wat komt er uit deze programmaatjes?

Slide 9 - Open vraag

Syntaxisverschillen – dezelfde code in vier talen
Javascript
C#
PHP
Python
Antwoord: 4 + 7 + 9 + 2 = 22

Slide 10 - Tekstslide

Syntaxis op drie niveau’s
De syntaxis van een taal kun je bekijken op drie niveaus:
  • Woordniveau (de spelling)
  • Zinsniveau (de grammatica)
  • Contextniveau (de geldigheid van variabelen, objecten en typen).





Slide 11 - Tekstslide

Syntaxis op woordniveau
De syntaxis op woordniveau is afhankelijk van het type woord, zoals strings, getallen, variabelen, functienamen en operatoren

Voor elk type gelden specifieke spellingsregels:
  • Strings: De waarde staat meestal tussen aanhalingstekens (").
  • Variabelen: Er is een beperkte karakterset voor variabelen.
  • Gereserveerde Woorden: Dit zijn woorden die niet als                          variabelenaam mogen worden gebruikt.











Slide 12 - Tekstslide

Syntaxis op zinsniveau
Op zinsniveau draait het om de juiste volgorde van variabelen, operatoren en haakjes, wat onderdeel is van de grammatica van de taal. 

Woorden worden gescheiden door scheidingstekens, zoals spaties, operators, tabs en nieuwe regels.









Slide 13 - Tekstslide

Syntaxis op zinsniveau (2)
Bijvoorbeeld bij Python: 

  • Een dubbele punt (:) als scheidingsteken
  • Een tab en een nieuwe regel hebben een
     speciale betekenis, een tab (inspringen) en
     nieuwe regel zijn verplicht bij bijvoorbeeld loops
  • Dit geeft aan welke code binnen de loop hoort









Slide 14 - Tekstslide

Syntaxis op zinsniveau (3)
Vergelijk dit met Microscript:

  • Een tab en nieuwe regel zijn hier optioneel,
     maar maakt de code wel leesbaarder
  • Het gereserveerde woord end geeft hier aan
     welke code binnen de loop hoort









Slide 15 - Tekstslide

Syntaxis op zinsniveau (4)
Of vergelijk dit met Javascript:




  • Bij talen als Javascript bepaal je een loop met accolades - {}
  • Alles mag op één regel, maar dit maakt code minder leesbaar
  • Gebruik een ';' als je meerdere statements op één regel wilt zetten. 


Slide 16 - Tekstslide

Syntaxis op contextniveau
Regels voor welk type een variabele heeft

Regels voor waar een variabele geldig is (scope)
             bijvoorbeeld binnen een functie

 


Slide 17 - Tekstslide

Woordsoorten
  • Waarde (literal)
  • Operator (operator)
  • Scheidingsteken (delimiter)
  • Variabelenaam (variable identifier)
  • Functienaam (function identifier)
  • Gereserveerd woord (keyword / reserved word)

 


Let op: Spaties worden niet apart benoemd. Meerdere nieuwe regels worden beschouwd als één.

Slide 18 - Tekstslide

Woordsoorten

Slide 19 - Tekstslide

Opdracht 1 - benoem de woordsoorten
Waarde
Operator
Scheidingsteken
Variabelenaam
Functienaam
Gereserveerd woord

Slide 20 - Sleepvraag

Opdracht 2 - benoem de woordsoorten
Waarde
Operator
Scheidingsteken
Variabelenaam
Functienaam
Gereserveerd woord

Slide 21 - Sleepvraag

Opdracht 3 - benoem de woordsoorten
Nb. Laat nieuwe regel en inspringen hier buiten beschouwing
Waarde
Operator
Scheidingsteken
Variabelenaam
Functienaam
Gereserveerd woord

Slide 22 - Sleepvraag

Leerdoel gehaald?
Je kunt taalregels van een programmeertaal (de syntaxis) op 3 manieren benoemen: op woord-, zins- en contextniveau. Ook kun je op het woordniveau van de syntaxis 6 verschillende soorten woorden en leestekens onderscheiden.

Slide 23 - Tekstslide

Voor de volgende les
Fundament

  • Lees B4 - hoofdstuk
     2
    door.
  • Maak hoofdstuk 2.2 
     
    vraag 1 t/m 3
  • Maak hoofdstuk 2.3
     vraag 4

Slide 24 - Tekstslide