Extra les: der die das - er sie es

Extra les 
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Extra les 

Slide 1 - Tekstslide

Wat weet je nog
van de vorige les?

Slide 2 - Woordweb

Herhaling: Welke vorm van het werkwoord hoort bij het persoonlijk voornaamwoord?
ich
du
er / sie / es
wir
ihr
sie / Sie
wohne
wohnen
wohnen
wohnst
wohnt
wohnt

Slide 3 - Sleepvraag

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Welke woorden zijn lidwoorden?
A
der
B
Buch
C
spät
D
die

Slide 6 - Quizvraag

Welke woorden zijn persoonlijke voornaamwoorden?
A
das
B
er
C
sie
D
es

Slide 7 - Quizvraag

Welke woorden zijn zelfstandige naamwoorden?
A
der
B
Schule
C
Dorf
D
wohnen

Slide 8 - Quizvraag

Aan het eind van de les kan/weet ik...
- een lidwoord+zelfstandig naamwoord vervangen door een persoonlijk voornaamwoord.
- welk persoonlijk voornaamwoord ik moet gebruiken als er een naam i.p.v. een zelfstandig naamwoord in de zin staat.

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Video

Uitleg er /sie / es
Lidwoorden: der, die, das!

der Mann, der Vater =                        mannelijk
die Frau, die Mutter =                        vrouwelijk
das Kind, das Eis =                             onzijdig
die Kinder, die Studenten =           meervoud

Slide 11 - Tekstslide

Persoonlijke voornaamwoorden:

ich
du
er / sie / es
wir
ihr
sie / Sie

De volgende persoonlijke voornaamwoorden zijn:

er = mannelijk
sie = vrouwelijk
es = onzijdig
sie = meevoud

Slide 12 - Tekstslide

Uitleg er /sie / es

Der Mann lacht -) Er lacht. 

Die Frau lacht -) Sie lacht.
 
Das Kind lacht -) Es lacht!

Die Kinder (mv) lachen -) Sie lachen! 



* je kunt ook namen vervangen

Peter lacht -) Er lacht.


Monika lacht -) Sie lacht.



Peter und Monika lachen  -) Sie lachen. 


Slide 13 - Tekstslide

Zusammen üben
1 Tante Trude wohnt in Berlin. …………………………………..

2 Der Mann ist dick. …………………………………..
3 Die Frau ist schlank. …………………………………..
4 Das Kind ist vier Jahre alt. …………………………………..
5 Die Kinder essen Eis. …………………………………..
6 Onkel Fritz raucht eine Zigarette. …………………………………..






Slide 14 - Tekstslide

Zusammen üben
1 Tante Trude wohnt in Berlin. ………sie…………………………..

2 Der Mann ist dick. ………………er…………………..
3 Die Frau ist schlank. ……………sie……………………..
4 Das Kind ist vier Jahre alt. ………es…………………………..
5 Die Kinder essen Eis. ………………sie…………………..
6 Onkel Fritz raucht eine Zigarette. ……er……………………………..






Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Ik kan.../Ik weet...

Slide 20 - Tekstslide

Mach!
- SlimStampen Paragraaf A Sehen + C Lesen

Slide 21 - Tekstslide