In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 5 videos.
Onderdelen in deze les
7.3 Uit de grond gestampt
Slide 1 - Tekstslide
Leerdoelen
Je kunt uitleggen waarom industrialisatie leidt tot urbanisatie.
Je kunt de gevolgen van de industriële revolutie voor de werk- en leefomstandigheden van de arbeiders uitleggen.
Je kunt de relatie tussen de politiek- maatschappelijke stromingen liberalisme, socialisme en de (gevolgen van) de industriële revolutie uitleggen.
Slide 2 - Tekstslide
Slide 3 - Video
De Industriële revolutie
Door de nieuwe landbouwtechnieken:
meer voedsel geproduceerd met minder arbeiders
Nadeel: sommige arbeiders werden overbodig
Oplossing: werken in de fabrieken.
Geen scholing nodig, dus iedereen kon het doen!
Slide 4 - Tekstslide
Veel mensen vertrokken naar de steden om in de fabrieken te werken => industriesteden
Slide 5 - Tekstslide
De stoomtrein speelde een belangrijke rol bij de industriesteden.
Hoe?
Slide 6 - Tekstslide
De stoomtrein speelde een belangrijke rol bij de industriesteden.
Grondstoffen en voedsel kon sneller en makkelijker vervoerd worden -> minder afhankelijk
Slide 7 - Tekstslide
Tijdens de 19e eeuw vertrekken veel mensen van het platteland naar de stad.
Dit zijn voornamelijk mensen die gaan werken in de fabrieken.
Slide 8 - Tekstslide
Voor alle nieuwe arbeiders worden er arbeiderswoningen gebouwd.
Slide 9 - Tekstslide
Slide 10 - Video
Hoeveel mensen woonden in de kelderwoning in de Amsterdamse wijk de Jordaan?
A
12 mensen
B
13 mensen
C
14 mensen
D
15 mensen
Slide 11 - Quizvraag
De groei van en trek naar de steden was het begin van urbanisatie(verstedelijking).
Al bestaande steden werden groter door de aanwezigheid van fabrieken. En nieuwe steden ontstonden juist daar, waar al fabrieken aanwezig waren.
Slide 12 - Tekstslide
Urbanisatie
Teveel mensen op het platteland
Industriesteden ontstonden
Mensen gingen in de stad wonen
De groei en trek naar steden = urbanisatie
Slide 13 - Tekstslide
Welk begrip past bij deze afbeelding?
Slide 14 - Open vraag
Aantekeningen
Slide 15 - Tekstslide
Noem een reden waarom de lonen van de arbeiders zo laag waren
Slide 16 - Open vraag
De Sociale Kwestie
Een kwestie is een probleem
Het probleem van de slechte woon- en werkomstandigheden van de arbeiders.
Armoede probleem
Slide 17 - Tekstslide
Wat is de Sociale Kwestie?
‘De rijken worden rijker, de armen worden armer’
Alleen ‘de rijken’ mogen stemmen.
Hierdoor blijven ‘de rijken’ aan de macht.
Eind 19e eeuw.
Vooral in de steden.
Slide 18 - Tekstslide
Slechte werkomstandigheden
De arbeidsomstandigheden in de fabrieken waren erg zwaar. Werkdagen van 14 uur waren heel gewoon, vrije dagen of vakanties bestonden niet en een dag niet werken betekende geen inkomen.
Omdat een man zelf niet genoeg verdiende, moesten vrouwen en kinderen ook werken. In de fabrieken werd het productieproces opgesplitst. Dit noem je arbeidsdeling. Je maakte als arbeider de hele dag dezelfde handelingen!
Weekoverzicht qua uitgaven. Het weekloon van een mannelijke arbeider was 900 cent.
Slide 19 - Tekstslide
Slechte werkomstandigheden
onveilig en ongezond, saai werk
lange werkdagen (14u/dag)
lage lonen => amper gezin onderhouden
geen rechten !
Slide 20 - Tekstslide
De Sociale Kwestie
Arbeiders dronken veel alcohol om alle narigheid te vergeten.
Jonge vrouwen en meisjes kwamen soms in de prostitutie terecht.
Veel baby's en vrouwen stierven bij de geboorte.
En veel kinderen kwamen op straat terecht.
Slide 21 - Tekstslide
De sociale kwestie
Omstandigheden zijn duidelijk zichtbaar, maar de overheid deed niks
Slide 22 - Tekstslide
Slide 23 - Tekstslide
Twee uitspraken:
1. In de 19e eeuw is er weinig / veel werkgelegenheid.
2. Op de afbeelding hiernaast zie je een werknemer / werkgever.
A
1. weinig, 2. werknemer
B
1. weinig, 3. werkgever
C
1. veel, 2. werknemer
D
1. veel, werkgever
Slide 24 - Quizvraag
Slide 25 - Tekstslide
De Sociale Kwestie
Weinig aandacht voor de slechte leef- en werkomstandigheden van de arbeiders.
Slide 26 - Tekstslide
Aantekeningen
Slide 27 - Tekstslide
Slide 28 - Video
Slide 29 - Tekstslide
De liberalen
De liberalen.
Dit waren vaak rijke burgers of mensen uit de bourgeoisie.
Aanhangers van de politieke stroming liberalisme.
Slide 30 - Tekstslide
De rijken bleven rijk
Rijken bleven rijk, want alleen zij konden stemmen
rijke burgers = bourgeoisie (ook wel liberalen)
De liberalen wilden hun eigen gang blijven gaan
Wetten vastleggen kost te veel geld
Slide 31 - Tekstslide
Slide 32 - Video
En de arbeiders dan?
De slechte woon- en werkomstandigheden van de arbeiders kreeg weinig aandacht in de politiek.
Geestelijken en artsen brachten de sociale kwestie ter sprake
Mensen die opkomen voor arbeiders = socialisten
Slide 33 - Tekstslide
Zijn de zinnen van een liberaal of een socialist?
Sleep de zinnen naar de juiste kolom:
Liberaal
Socialist
'Ik wil dat de regering (overheid) zich zo min mogelijk bemoeit met de bedrijven in het land'.
'Ik vind dat er een wet moet komen waarin staat dat mensen maximaal maar 8 uur per dag mogen werken'.
'Ik kom uit de Bourgeoisie'.
'Ik ben een tegenstander van kinderarbeid'.
Ik wil als werknemer meer vakantiedagen in het jaar.
Ik probeer van mijn geld nog meer geld te maken.
Slide 34 - Sleepvraag
In de afbeelding worden verschillende groepen in de samenleving uit de 19e eeuw afgebeeld met een bepaald oordeel / mening.
Sleep de groepen naar de juiste plek in de afbeelding: