Oefenen Nederlands-6a

Nederlands
Oefenen
1 / 48
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsPraktijkonderwijsLeerjaar 3

In deze les zitten 48 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Nederlands
Oefenen

Slide 1 - Tekstslide

Lezen

Slide 2 - Tekstslide

Lees het volgende stukje door en beantwoord de vragen.
Van school krijg je buikpijn

Het is weer bijna vakantie. Dat is maar goed ook! Want van naar school gaan wordt je ziek. Dat is ontdekt in Engeland en Finland. En als het in die twee landen zo is, dan zal het in Nederland ook wel zo zijn. 
In Engeland kwamen twee chirurgen erachter dat in schoolvakanties opvallende minder kinderen met buikpijn in het ziekenhuis werden opgenomen. Buiten de vakantietijd zijn dat er veel meer!
Buikpijn kan ontstaan door spanning en stress. Op school hebben kinderen meer last van spanning en stress dan tijdens de vakantie. Je moet op tijd aanwezig zijn, je moet je huiswerk hebben gemaakt en geleerd, op moet opletten, meedoen, toetsen maken, kortom; 

Slide 3 - Tekstslide

op school moet je ontzettend veel. In de vakantie zijn er veel minder verplichtingen en daardoor ben je meer ontspannen.
De doktoren in Engeland hebben speciaal voor scholen een cursus met ontspanningsoefeningen geschreven. Na elke twee uur zou iedereen een kwartier lang zulke oefeningen moeten doen. 
Er komt een onderzoek waarbij scholen die wel het programma volgen en scholen die niet het programma volgen, met elkaar worden vergeleken. Wie weet, helpt die aanpak.

Slide 4 - Tekstslide

Wat wil deze tekst duidelijk maken?
A
Van schoolgaan wordt je ziek.
B
Schoolgaan kan spanning en stress veroorzaken waardoor je ziek wordt.
C
Op school moet je de hele dag van alles doen.
D
Op scholen die ontspanningsoefeningen doen, zijn er minder zieke leerlingen.

Slide 5 - Quizvraag

Welke alinea's vormen het middenstuk van deze tekst?
A
Alinea 1 en 5
B
Alinea 2 en 3
C
Alinea 2, 3 en 4
D
Alinea 1, 2 en 3

Slide 6 - Quizvraag

Welke ontdekking hebben doktoren in Engeland gedaan en in welke alinea staat dit?

Slide 7 - Open vraag

Hoe komt het dat meer kinderen in het ziekenhuis belanden tijdens schoolweken dan in de vakantie?

Slide 8 - Open vraag

Wat voor soort tekst is dit?
A
Een krantenartikel
B
Een verhaal
C
Een advertentie
D
Een recept

Slide 9 - Quizvraag

Wat is de voornaamste bedoeling van deze tekst?
A
Een mening geven.
B
De lezer overhalen om iets te gaan doen.
C
Amuseren.
D
Informeren.

Slide 10 - Quizvraag

Als je een tekst moet schrijven, moet je een aantal stappen volgen. Zet de volgende stappen in de juiste volgorde:
A- Verbeter het klad en schrijf het in het net.
B- Schrijf je tekst in het klad
C- Lees de opdracht door.
D- Verzamel informatie over het onderwerp.

Slide 11 - Open vraag

Alinea is ...
A
...stukjes tekst over een onderwerp.
B
... goede zinnen die beginnen met een hoofdletter.
C
...twee regels die samen een zin vormen.
D
...een stukje uit een tekst met een onderwerp

Slide 12 - Quizvraag

Taalschat

Slide 13 - Tekstslide

Wat is de betekenis van:
kiosk

Slide 14 - Open vraag

Wat is de betekenis van:
polikliniek

Slide 15 - Open vraag

Wat is de betekenis van:
chirurg

Slide 16 - Open vraag

Wat is de betekenis van:
lichaamstaal

Slide 17 - Open vraag

De bus ... Zwolle had vertraging.
A
naar
B
op
C
over
D
tegen

Slide 18 - Quizvraag

De film begon pas ... acht uur
A
naar
B
op
C
over
D
tegen

Slide 19 - Quizvraag

Lotte vergat haar huiswerk ... haar bureau
A
naar
B
op
C
over
D
tegen

Slide 20 - Quizvraag

De bus ... Zwolle had vertraging
A
naar
B
op
C
over
D
tegen

Slide 21 - Quizvraag

Grammatica

Slide 22 - Tekstslide

Lees de tekst en beantwoord de vragen.
Jakkes, een kakkerlak

Ze zijn lelijk, rennen vliegensvlug over vloeren en muren en jagen je de stuipen op het lijf. Als ze niet meer zouden bestaan, zou geen mens ze missen

Slide 23 - Tekstslide

Noteer hieronder de zelfstandig naamwoorden uit de titel en tekst.

Slide 24 - Open vraag

Hoeveel lidwoorden staan er in de titel en tekst bij elkaar?

Slide 25 - Open vraag

Spelling

Slide 26 - Tekstslide

Uitleg werkwoorden 
Tegenwoordige tijd 
Werkwoorden laten een actie zien in een zin. Wat doet iemand?

Voorbeelden van werkwoorden:
  • lopen
  • rennen
  • zingen
  • maken

Slide 27 - Tekstslide

Uitleg werkwoorden 
Tegenwoordige tijd 
Een werkwoord in de tegenwoordige tijd schrijf je zo op:

ik + basis van de werkwoord
Hij + basis + t
Zij + basis + t
Het + basis + t
Wij + hele werkwoord
Zij + hele werkwoord
Jullie + hele werkwoord

Slide 28 - Tekstslide

Uitleg werkwoorden 
Tegenwoordige tijd 
Werkwoord: lachen

Ik lach
Hij lacht
Zij lacht
Het lacht
Wij lachen
Zij lachen 
Jullie lachen

Slide 29 - Tekstslide

De 11-jarige Ciro Ortiz ………………(hebben - tt) de harten gestolen van vele New Yorkers. Hij ………………(geven - tt) als 'therapeut' namelijk emotioneel advies aan metrorijders in de Amerikaanse metropool voor slechts twee dollar. De opbrengst ………………(gebruiken - tt) hij om lunch te ………………(kopen - tt) voor zijn klasgenoten die daar zelf geen geld voor………………(hebben - tt). 

Slide 30 - Open vraag

Elke zondag ………………(zitten - tt) Ciro weer achter zijn tafeltje in een New Yorks metrostation, waar hij twee uur lang ………………(luisteren - tt) naar de problemen van volwassenen. Voor een sessie van vijf minuten ………………(betalen - tt) zij hem 2 dollar per sessie. Hij ………………(helpen - tt) hen met problemen die bij het volwassen leven ………………(horen - tt), zoals werk en relaties. 

Slide 31 - Open vraag

„Ik ……(helpen - tt) mensen met hun problemen omdat iedereen zich verdrietig of boos kan ……(voelen - tt) om bepaalde redenen”, aldus Ciro tegenover New York Post. „Misschien ……(gaan - tt) het niet goed met hun relatie of ……(kunnen - tt) ze niet goed overweg met hun familie, of misschien ……(worden - tt) ze gewoon ouder waardoor ze zich nostalgisch ……(voelen - tt).”

Slide 32 - Open vraag

Ciro ………………(komen - vt) op het idee omdat hij vroeger zelf gepest ………………(worden - vt) op school. „Mensen ………………(mogen - tt) je alleen wanneer je dezelfde dingen ………………(leuk vinden - tt) als zij. Maar ik ………………(gaan - tt) me niet anders voordoen dan ik ………………(zijn - tt)”, zei hij tegen Upworthy. Hij ……………… (bedenken - vt) zich dat hij niet de enige zou zijn die zich zo ………………(voelen - vt) en dat mensen waarschijnlijk wel wat advies konden gebruiken.

Slide 33 - Open vraag

De eerste keer dat hij met zijn tafeltje ……… (plaats nemen – vt ) in het metrostation ………(zijn - vt) hij zenuwachtig. „Ik ………(weten – vt) niet of mensen me uit ……… (zullen – vt) ……… (lachen – tt), maar iedereen ………(zien – vt) dat ik het serieus ………(nemen – vt) .” Ook zijn cliënten ………(nemen – vt) zijn therapiesessies serieus; al snel …………(komen – vt) zij naar hem toe met echte problemen.

Slide 34 - Open vraag

Het meest besproken probleem aan Ciro's tafeltje is de liefde. „Mensen ………………(zijn) niet blij met hun partner, of bang dat ze nooit een partner zullen vinden.” Het advies van de jongen ………………(luiden): „We ………………(worden) geboren met de liefde van onze ouders.”

Slide 35 - Open vraag

Wanneer hij een goede dag ………………(draaien - tt), ………………(verdienen - tt) Ciro zo'n vijftig dollar. Dat geldt ………………(steken - tt) hij niet zelf in zijn zak, maar ………………(geven - tt) hij aan klasgenoten die niet genoeg geld ………………(hebben – tt) om lunch te ………………(kopen – tt).

Slide 36 - Open vraag

Hoewel dit een mooi gebaar ………………(zijn - tt), begrijpen zijn klasgenoten niet zo goed wat hij ………………(doen) en waarom. Dat ………………(vinden - tt) Ciro niet erg: hij ………………(hebben - tt) tijdens zijn sessies namelijk al heel veel nieuwe vrienden ………………(ontmoeten - tt). 

Slide 37 - Open vraag

Uitleg werkwoorden 
Verleden tijd
Zet de volgende werkwoorden in het verleden tijd.

Lopen - Liepen
Dansen - Dansten
Maken - Maakten
Zien - Zagen
Werken - Werkten

Slide 38 - Tekstslide

Wat valt op?
Sommigen werken veranderen van klank, andere werkwoorden krijgen -ten of -den erbij.

Zwakke werkwoorden                            Sterke werkwoorden

veranderen niet van klank                      veranderen van klank

Slide 39 - Tekstslide

Zwakke werkwoorden
Hoe weet je wanneer er -ten of -den achter een werkwoord moet?
  1. Neem het de stam van het werkwoord.
  2. Eindigt de stam op:  't kofschip x
  3. Werwoord krijgt -ten erbij.
  4. Andere werkwoorden krijgen -den erbij

Slide 40 - Tekstslide

Zet de volgende werkwoorden in het verleden tijd

Slide 41 - Tekstslide

Hebben
Rijden
Lopen
Zitten

Slide 42 - Open vraag

Maken
Halen
Rennen
Blijven

Slide 43 - Open vraag

Bellen
Vragen
Verdwijnen
Weten

Slide 44 - Open vraag

Heten
Schilderen
Wachten
Ontdekken

Slide 45 - Open vraag

Negeren
Vergeten
Missen
Fluisteren

Slide 46 - Open vraag

Helpen
Waarschuwen
Schreeuwen
Leren

Slide 47 - Open vraag

Zakken
Klimmen
Redden
Gooien

Slide 48 - Open vraag