Domein H

Examentraining
Domein H 
1 / 33
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

In deze les zitten 33 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

Examentraining
Domein H 

Slide 1 - Tekstslide

theorie herhalen
samen oefenen
zelf examenopgave oefenen

Slide 2 - Tekstslide

Productiefactoren
4 productiefactoren en hun beloning

  • Natuur  > Pacht
  • Arbeid > Loon
  • Kapitaal > Rente
  • Ondernemerschap > Winst

Slide 3 - Tekstslide

Toegevoegde waarde
f




Omzet  - Inkoop  (grondstoffen)  = toegevoegde waarde

Slide 4 - Tekstslide

BBP / BBI berekenen







        
of       = C + B + S

Slide 5 - Tekstslide

Economische kringloop 

Slide 6 - Tekstslide

Formules
  • Y = C + B + S
  • Y = C + I + O + E - M
  • C + B + S = C + I + O + E - M
  • B + S = I + O + E - M
  • ook wel (S - I) + (B - O) = (E - M)

Slide 7 - Tekstslide

(S-I) + (B-O) = (E-M)
(S-I) = Particulier spaarsaldo
(S-I) + (B-O) = Nationaal spaarsaldo
(E-M) = Saldo lopende rekening = Nationaal spaarsaldo

Slide 8 - Tekstslide

Betalingsbalans

De geldstromen m.b.t. de handel staan op de betalingsbalans.

Ook andere geldstromen van en naar het buitenland (bijvoorbeeld beleggingen) staan op de betalingsbalans.

Slide 9 - Tekstslide

Lopende rekening

Slide 10 - Tekstslide

kapitaalrekening 
- internationale beleggingen 
- internationale krediet verlening 
- directe investeringen buitenland

Slide 11 - Tekstslide

Andere manieren van het meten van Welvaart
1. Groen BBP =  BBP -  geschatte schade aan het milieu 
                           + geschatte waarde van verbetering aan milieu

2. Human Development Index (HDI)
Hier wordt gekeken naar:
Het BBP + volksgezondheid (m.n. levensverwachting) 
+  niveau van scholing

3. Index voor geluk (World Happiness Index door de VN)
In 2020 stond Finland op 1 en Nederland op 6.
Gaat om o.a. om keuzevrijheid, bbp, sociale voorzieningen, levensverwachting

Slide 12 - Tekstslide

Economische groei

Slide 13 - Tekstslide

Oorzaken economische groei
Economische groei ontstaat wanneer de toegevoegde waarde van een land stijgt. Dit gebeurt als kwaliteit en / of kwantiteit van de productiefactoren stijgt. 
BV: meer kapitaalgoederen, meer bevolking; verbetering kapitaalgoederen, beter onderwijs, groei arbeidsproductiviteit

Slide 14 - Tekstslide

Product- en procesinnovatie
Productinnovatie Het invoeren van nieuwe of vernieuwde producten


Procesinnovatie 
het vernieuwen van het productieproces

Slide 15 - Tekstslide

Exportquote en importquote
Hoe hoger exportquote + importquote, hoe meer open de economie is

Slide 16 - Tekstslide

Protectiemaatregelen (protectionisme of handelsbelemmeringen) 

Slide 17 - Tekstslide

Argumenten protectionistische maatregelen
Infant industry-argument
Bescherming strategische sectoren
Werkgelegenheid

Antidumpingsargument

Sociale of milieuredenen

Slide 18 - Tekstslide

Belastingstelsels 
  • Proportioneel belastingstelsel
  • Progressief belastingstelsel
  • Degressief belastingstelsel 

Slide 19 - Tekstslide

Nivellering
Door een progressief belastingstelsel is er sprake van nivellering

Dit betekent dat de inkomensverschillen relatief kleiner worden

Slide 20 - Tekstslide

Heffingstarief (belastingdruk)
Bruto inkomen € 84.000

Inkomensheffing € 28.459

Gemiddelde heffingstarief = inkomensheffing / bruto inkomen x 100%
                                                         = € 27.965 / € 84.000 x 100% = 33,3% 

Marginale heffingstarief = 49,5%

Slide 21 - Tekstslide

schema loonheffing uitrekenen
Stap 1: Belastbaar inkomen uitrekenen:
               Bruto inkomen  + bijtellingen -aftrekposten= belastbaar inkomen
Het belastbaar inkomen is het inkomen waarover je belasting/inkomensheffing moet betalen

Stap 2: het schijvensysteem toepassen
Stap 3: de heffingskorting(en) er af halen.


Slide 22 - Tekstslide

Belastingschijven

Slide 23 - Tekstslide

Wat is ongelijkheid?

We hebben het over economische ongelijkheid. Twee soorten:
  1. Inkomensongelijkheid (hoeveel je verdient)
  2. Vermogensongelijkheid (hoeveel er op je bank staat)



Slide 24 - Tekstslide

Lorenzcurve
De Lorenzcurve geeft inkomensongelijkheid aan.


Slide 25 - Tekstslide

Arbeidsmarkt
Hoe werkt de arbeidsmarkt? 

Slide 26 - Tekstslide

Beroepsbevolking

  • mensen die kunnen & willen werken = beroepsbevolking
  • 1. iedereen die nu al werkt; 
  • 2. werklozen horen ook bij beroepsbevolking

Slide 27 - Tekstslide

Conjuncturele en Structurele Werkloosheid 

conjuncturele werkloosheid: werkloosheid die ontstaat door onderbesteding.

structurele werkloosheid: werkloosheid die wordt bepaald door de aanbodfactoren. ( kwantitatieve werkloosheid, kwalitatieve werkloosheid, frictiewerkloosheid, seizoenswerkloosheid)

Slide 28 - Tekstslide

CAO


CAO = 
collectieve arbeidsovereenkomst

Slide 29 - Tekstslide

Samen oefenen
1.Bereken de waarde van de uitvoer van dit land in 2020 in miljarden euro’s. Gebruik daarbij ook de eerdere gegevens bij deze opgave.

2. Bereken welk indexcijfer er op de plaats van de letter a in de kolom van 2020 moet staan.
3. Bereken welk indexcijfer er op de plaats van de letter b in de kolom van 2022 moet staan.


Oplossing
1. De uitvoer in 2022 bedraagt € 85,1 miljard. Daarbij hoort het indexcijfer 130.
In 2020 was het indexcijfer 156.
De waarde van de uitvoer in 2020 = (85,1 miljard/130) × 156 = € 102,1 miljard.
2. Index volume = (waarde-index/prijsindex) × 100. Index volume = 156 / 133 × 100 = 117,3.
3. Waarde-index = (volume-index × prijsindex)/100 = (123 × 98) / 100 = 120,5.

2022
                             Waardeindex
Volumeindex = -----------------    x 100
                                 prijsindex

Slide 30 - Tekstslide

Samen oefenen
Persoon A heeft een salaris van € 60.000. Persoon B 90.000. Verder gelden dezelfde gegevens.
De WOZ-waarde van de eigen woning bedraagt € 300.000.
Eigen woning waarde forfait is 0,6% van de woz, Er zijn twee heffingskortingen: een algemene heffingskorting van € 2.711 een arbeidskorting van € 3.595
De hypotheek voor de eigen woning bedraagt € 290.000 tegen 3,1% rente.
1. bereken belastbaar inkomen
2. bereken te betalen inkomstenbelasting
3. bereken gemiddelde heffingstarief

Antwoord
60.000 + (300.000x0,6%) - (290.000x3,1%)=52810
90.000  + (300.000x0,6%) - (290.000x3,1%)= 82810
52810 x 37,35% = 19724; 19724 - 2711-3595 = 13418
68508 x 37,35% + (82810-68508)x 49,5% = 32667,23; 32667,23-2711-3595 = 26361,23
13418/60.000 x 100 = 22,36%
26361/90000x100=29,3%

Slide 31 - Tekstslide

Opgaves maken
Crisis en inkomen

Slide 32 - Tekstslide

Opgaves maken
Meer vrijhandel, meer groei




Crisis en inkomen

Slide 33 - Tekstslide