Leesvaardigheid les week 10 11 en 13 februari

Leesvaardigheid
1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
BurgerschapMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

Onderdelen in deze les

Leesvaardigheid

Slide 1 - Tekstslide

Doelen
  • Je weet welke leesstrategieën er zijn 
  • Je weet welke leesstrategie je wanneer toepast
  • Je kunt beoordelen welke leesstrategie je het best kunt toepassen.
  • Je weet welke tekstdoelen er zijn
  • Je kunt benoemen welk tekstdoel de tekst heeft

Slide 2 - Tekstslide

Leesstrategieën

Slide 3 - Tekstslide

Leesstrategieën
Welke leesstrategieën zijn er in het filmpje benoemd?
  • Oriënterend lezen
  • Zoekend lezen
  • Globaal lezen
  • Intensief lezen
  • Studerend lezen
  • Kritisch lezen

Slide 4 - Tekstslide

Welke strategie gebruik je wanneer?
Wanneer zet je oriënterend, globaal en zoekend lezen in?
  • Wanneer je belangrijke onderwerpen en structuren snel uit de tekst wilt halen. 
  • Wanneer je weinig tijd hebt.
  • Wanneer je zoekt naar specifieke informatie
  • Wanneer je veel informatie moet verwerken.

Zoekend lezen gebruik je daarnaast ook wanneer je onderzoek doet. 



Slide 5 - Tekstslide

Welke strategie gebruik je wanneer?
Intensief lezen doe je wanneer:
  • Wanneer je diepgaande kennis wilt opdoen: Bijvoorbeeld bij het bestuderen van een wetenschappelijk artikel of een juridische tekst.
  • Bij het leren van een nieuwe vaardigheid: Bijvoorbeeld als je een handleiding of een instructieboek leest om iets nieuws te leren.
  • Om details en nuances te begrijpen: Bijvoorbeeld bij het analyseren van literatuur of het lezen van complexe theoretische werken.

Slide 6 - Tekstslide

Welke strategie gebruik je wanneer?
Studerend lezen:
  • Bij het voorbereiden op een examen: Intensief en herhaaldelijk lezen om de stof te onthouden en te begrijpen.
  • Bij het maken van aantekeningen: Actief lezen om de kernideeën te noteren en te structureren.
  • Voor het schrijven van een werkstuk of scriptie: Zorgvuldig en gedetailleerd lezen om de juiste informatie te verzamelen en te citeren.


Slide 7 - Tekstslide

Welke strategie gebruik je wanneer?
Kritisch lezen
  • Bij het evalueren van argumenten: Bijvoorbeeld bij het lezen van opiniestukken of debatten om de geldigheid en logica van de argumenten te beoordelen.
  • Voor het beoordelen van bronnen: Kritisch kijken naar de betrouwbaarheid, objectiviteit en relevantie van de informatiebronnen.
  • Bij het vormen van een eigen mening: Het grondig analyseren van verschillende perspectieven en standpunten om een weloverwogen mening te vormen.

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Video

Schrijfdoelen en tekstsoorten
Doel                                                      Soorten
Amuseren                                          Roman, strip verhaal, kort verhaal, gedicht, toneelstuk, mop, lied.
Informeren/uiteenzetten           Uiteenzetting,  handleiding, gebruiksaanwijzing, studieboek,
                                                                nieuwsuitzetting, notulen, uitdoging.
Opniëren/beschouwen               Beschouwing, recensie, discussiestuk.
Overtuigen/betogen                    Betoog, ingezonden brief, commentaar van redactie, column, 
                                                                toespraak.
Activeren                                            Advertentie, verkiezingsaffiche, folder van de Albert Heijn.





                  

Slide 10 - Tekstslide

Tekstdoelen

Slide 11 - Tekstslide

Wat is het doel van het gedicht?
A
Amuseren
B
Informeren
C
Overtuigen
D
Betogen

Slide 12 - Quizvraag

Slide 13 - Video

Wat is het doel van het filmpje?
A
Informeren
B
Overtuigen
C
Overhalen
D
Amuseren

Slide 14 - Quizvraag

Wat is het doel van?
Amuseren: De schrijver/maker wil je vermaken met tekst/plaatje/filmpje.
Informeren/uiteenzetten: De schrijver/maker wil je informeren of uitleggen over een bepaald onderwerp.
Opniëren/beschouwen: De schrijver/maker wil zijn mening geven of je laten nadenken over een bepaald onderwerp.
Overtuigen/betogen: De schrijver/maker wil dat je iets wel of niet gaat doen. 
Activeren: De schrijver/maker wil je aansporen om tot actie over te gaan




Slide 15 - Tekstslide

Opdracht
Bedenk een stelling van iets waar je echt voor staat. Schrijf in een paar regels een overtuigende tekst waarmee je andere probeert over te halen hetzelfde te vinden.

Slide 16 - Tekstslide

Wat heb je geleerd?
Is het gelukt om iemand anders te overtuigen van jouw stelling?

Wat neem je mee uit deze les?

Slide 17 - Tekstslide