PM2 toets basis

PM2 
mens en omgeving 
Eindtoets basis
1 / 35
volgende
Slide 1: Tekstslide
Zorg en WelzijnMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 3

In deze les zitten 35 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

PM2 
mens en omgeving 
Eindtoets basis

Slide 1 - Tekstslide

Je gebruikt ......... schoonmaakmiddel op een microvezeldoek.
A
Geen
B
Een beetje
C
Veel

Slide 2 - Quizvraag

Kies het juiste woord.
Je maakt de microvezeldoek .......... als je gaat schoonmaken.
A
Klamvochtig
B
Kletsnat
C
Droog

Slide 3 - Quizvraag

Kies het juiste woord.
De microvezeldoek mag ....... in de droger.
A
Wel
B
Niet

Slide 4 - Quizvraag

Waarom zijn HACCP regels belangrijk?
A
Ze zorgen voor hygiëne
B
Ze zorgen voor regelmaat
C
Ze zorgen voor orde
D
Ze zorgen voor rust

Slide 5 - Quizvraag

Wat is het verschil tussen een assistent en een medewerker van de ondersteunende dienst?
A
Een assistent ondersteunt meerdere mensen
B
Een medewerker van de ondersteunende dienst ondersteunt 1 persoon
C
Een assistent ondersteunt mensen niet persoonlijk
D
Een medewerker van de ondersteunende dienst ondersteunt meerdere mensen

Slide 6 - Quizvraag

BMI is:
A
Een automerk
B
Getal voor lichaamslengte en gewicht
C
Waarde die aangeeft dat je te zwaar bent
D
Een getal voor je gewicht in verhouding tot je lichaamslengte

Slide 7 - Quizvraag

Je hebt 2 liter ranja gemaakt. In 1 glas gaat 2 deciliter ranja. Hoeveel glazen haal je uit 2 liter ranja?
A
25 glazen
B
20 glazen
C
15 glazen
D
10 glazen

Slide 8 - Quizvraag

Welk schoonmaakmiddel behoort tot de desinfectiemiddelen?
A
parketpolish
B
chloor
C
ammonia
D
schoonmaakazijn

Slide 9 - Quizvraag

Wat is de aanbevolen temperatuur voor een koelkast?
A
4 graden
B
8 graden
C
-12 graden
D
-7 graden

Slide 10 - Quizvraag

Voor welke vloeren zijn schoonmaakmiddelen bedoeld waarbij het volgende op de fles staat?
A
Vloeren in de keuken
B
Vloeren in de wc
C
Alle tegelvloeren
D
Alle harde vloeren

Slide 11 - Quizvraag

Wat is de verzamelnaam voor de stoffen die in voedingsmiddelen voorkomen? (wij kennen er 7)

Slide 12 - Open vraag

Wat is een voorbeeld van droog reinigen?
A
Stofzuigen
B
Schoonmaken met een microvezeldoek
C
De spraymethode
D
Afwassen

Slide 13 - Quizvraag

Wat betekent de afkorting FiFo?

Slide 14 - Open vraag

Wat betekent de afkorting ARBO?

Slide 15 - Open vraag

Op afstandbedienbare gordijnen zijn een voorbeeld van robotica
A
Juist
B
Onjuist

Slide 16 - Quizvraag

Formeel taalgebruik pas je toe tijdens zakelijke gesprekken
A
Juist
B
Onjuist

Slide 17 - Quizvraag

Bij subjectieve feedback geef je wel een mening.
A
waar
B
niet waar

Slide 18 - Quizvraag

Wat betekent privacy

Slide 19 - Open vraag

wat is een veganist

Slide 20 - Open vraag

wat is ergonomisch werken

Slide 21 - Open vraag

een ongeplande bezoeker is iemand die van te voren een afspraak heeft gemaakt.
A
juist
B
onjuist

Slide 22 - Quizvraag

dH geeft de hardheid van water weer
A
juist
B
onjuist

Slide 23 - Quizvraag

anorexia nervosa is een eetstoornis
A
juist
B
onjuist

Slide 24 - Quizvraag

groenten die je alleen kunt krijgen in een bepaald seizoen, bijvoorbeeld spruitjes of boerenkool
zo schoon dat er geen micro-organismen meer aanwezig zijn
een begeleider die bij een client thuiskomt. een vorm van zorg die niet plaatsvindt binnen de muren van een instelling
alleen het ergste vuil is verwijderd
de hoeveelheid energie die in eten en drinken zit (dat geleverd wordt door eiwitten, vetten en koolhydraten)
ambulante begeleider
energiewaarde
ruwschoon
seizoensgroenten
smetschoon

Slide 25 - Sleepvraag

wat betekent dit etiket
A
je moet de wasmachine maximaal tot een derde vullen
B
je moet de wasmachine maximaal tot de helft vullen
C
je moet de trui met de hand wassen
D
je mag de trui niet wassen

Slide 26 - Quizvraag

Op het behandelingsetiket van een katoenen schort zie je dat je het schort op hoge temperatuur kunt strijken.
wel symbool betekent strijken op hoge temperatuur?
A
B
C
D

Slide 27 - Quizvraag

Bij het wassen moet je de juiste hoeveelheid wasmiddel gebruiken.
waarmee houd je rekening als je de hoeveelheid wasmiddel bepaalt?
A
hardheid van het water
B
kleur van het wasgoed
C
warmte van de omgeving
D
het merk van de wasmachine

Slide 28 - Quizvraag



Je gaat schoonmaken op een woongroep. Aan welke schoonmaakregels houd je je?

A
werk van makkelijk naar moeilijk
B
werk van hoog naar laag
C
werk van koud naar warm
D
werk van vuil naar schoon

Slide 29 - Quizvraag

Domotica geeft een zorgvrager meer gemak en zelfstandigheid.

Wat zijn voorbeelden van domotica?

A
huishoudelijke hulp van de thuiszorg
B
winkelen op het internet
C
maaltijdvoorziening door tafeltje dek je
D
één knop om alle lichten uit te doen

Slide 30 - Quizvraag

Een leerling heeft zich verbrand aan de frituurpan. De wond ziet erg rood en er komen blaren op.
Wat moet je doen? zet de zinnen in goede volgorde
Dek de wond zo steriel mogelijk af met verband
Raadpleeg een arts
Koel de wond minstens 10 minuten
1
2
3

Slide 31 - Sleepvraag

Berend heeft de beperking dat hij zijn benen niet onder controle heeft.

Wat voor soort beperking is dit?

A
een lichamelijke beperking
B
een verstandelijke beperking
C
een visuele beperking
D
een auditieve beperking

Slide 32 - Quizvraag

Sommige mensen gebruiken een braille leesregel op de computer.

Voor welke beperking is dit hulpmiddel?

A
een auditieve beperking
B
een visuele beperking
C
een verstandelijke beperking
D
een communicatieve beperking

Slide 33 - Quizvraag

wat betekent de volgende afkorting
ADL- hulpmiddelen

Slide 34 - Open vraag

wat betekent de volgende afkorting
NAW- gegevens

Slide 35 - Open vraag