Periode 3 | les 8 | woordenschat

Nederlands
Periode 3
Les 8
woordenschat
1 / 42
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 42 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

Nederlands
Periode 3
Les 8
woordenschat

Slide 1 - Tekstslide

Beroepshouding
  • Boek mee 
  • Lezen = lezen
  • Uitleg = opletten
  • Opdracht = doen
  • Werken = werken (geen spelletjes, geen socials)
  • Eten = niet in het lokaal 

Slide 2 - Tekstslide

In deze les
  • Lesdoelen
  • Kijk op periode 3
  • Lezen
  • Korte uitleg nieuwe woorden
  • Oefening in LessonUp
  • Opdracht in het lokaal
  • Opdracht aan tafel

Slide 3 - Tekstslide

Lesdoelen
Aan het eind van deze les...
  • ... heb je je eigen taalvaardigheden, woordenschat en concentratie uitgebreid. 
  • ... begrijp je de betekenis van de volgende woorden, wanneer je ze tegenkomt in een tekst:

beogen | de ontgoocheling | de recessie | de rivaliteit | intimideren | relatief | sceptisch | tarten | trotseren | uitbesteden | verloochenen | analyseren | controversieel | verwijten | relevant

Slide 4 - Tekstslide

Periode 3
  • Les 1: CV maken
  • Les 2: CV afronden en beoordeling
  • Les 3: solliciteren
  • Les 4: solliciteren afronden en beoordeling
  • Les 5: TOETS
  • Les 6: feedback ontvangen en geven
  • Les 7: werkwoordspelling (laatste kans beoordeling CV en sollicitatie)
  • Les 8: woordenschat

Slide 5 - Tekstslide

Woordenschat
beogen | de ontgoocheling | de recessie | de rivaliteit | relatief | sceptisch | tarten | trotseren | uitbesteden | verloochenen | analyseren | controversieel | verwijten | diagnose | relevant

Slide 6 - Tekstslide

Woordenschat
Per woord een plaatje en een korte uitleg. 

Slide 7 - Tekstslide

beogen

Slide 8 - Tekstslide

de ontgoocheling

Slide 9 - Tekstslide

de recessie

Slide 10 - Tekstslide

de rivaliteit

Slide 11 - Tekstslide

diagnose 

Slide 12 - Tekstslide

diagnose
rivaliteit
recessie
ontgoocheling
beogen

Slide 13 - Sleepvraag

relatief 

Slide 14 - Tekstslide

sceptisch 

Slide 15 - Tekstslide

tarten 

Slide 16 - Tekstslide

trotseren 

Slide 17 - Tekstslide

uitbesteden 

Slide 18 - Tekstslide

uitbesteden
relatief
sceptisch
tarten
trotseren

Slide 19 - Sleepvraag

verloochenen 

Slide 20 - Tekstslide

analyseren 

Slide 21 - Tekstslide

controversieel 

Slide 22 - Tekstslide

verwijten

Slide 23 - Tekstslide

relevant

Slide 24 - Tekstslide

verloochenen
analyseren
relevant
verwijten
controversieel

Slide 25 - Sleepvraag

Wat is het woord?
.....  betekent eigenlijk het uitdagen of negeren van iets dat normaal gesproken wordt verwacht of gehoorzaamd. Stel je bijvoorbeeld voor dat er een regel is die zegt dat je niet op het gras mag lopen, maar iemand doet dat toch. Die persoon .... dan eigenlijk die regel door het gras te betreden, zelfs als het niet mag. Het gaat erom dat iemand bewust iets doet dat normaal gesproken wordt gezien als ongepast of niet toegestaan.

Slide 26 - Tekstslide

Welk woord hoort op de puntjes?
A
beogen
B
intimideren
C
tarten
D
uitbesteden

Slide 27 - Quizvraag

Slide 28 - Tekstslide

Welk woord hoort bij de afbeelding?
A
de woordspeling
B
de rivaliteit
C
sceptisch
D
de ontgoocheling

Slide 29 - Quizvraag

Wat is het woord?
..... betekent dat je iets ontkent of afwijst, vaak iets waar je eerder aan verbonden was of waar je voor stond. Het kan bijvoorbeeld betekenen dat je ontkent dat je iets hebt gezegd of gedaan, ook al heb je het eigenlijk wel gezegd of gedaan. Het kan ook betekenen dat je je band of relatie met iets of iemand verbreekt, alsof je zegt: "Ik ken die persoon niet" terwijl je eigenlijk wel met die persoon hebt gesproken. Het is als het ware het tegenovergestelde van erkennen of trouw blijven aan iets of iemand.

Slide 30 - Tekstslide

Welk woord hoort op de puntjes?
A
verloochenen
B
trotseren
C
de recessie
D
relatief

Slide 31 - Quizvraag

Slide 32 - Tekstslide

Welk woord hoort bij de afbeelding?
A
de ontgoocheling
B
de woordspeling
C
uitbesteden
D
sceptisch

Slide 33 - Quizvraag

Wat is het woord?
.... betekent eigenlijk dat iets afhankelijk is van andere dingen om te begrijpen of te waarderen. Stel je voor dat je naar de grootte van een vis kijkt. Als je zegt dat de vis groot is, is dat een .... beschrijving, omdat het afhangt van hoe groot andere vissen zijn die je hebt gezien. Als alle andere vissen die je hebt gezien kleiner zijn, lijkt deze vis groot in vergelijking. Dus, .....  helpt ons begrijpen hoe dingen zich tot elkaar verhouden, in plaats van ze op zichzelf te bekijken.

Slide 34 - Tekstslide

Welk woord hoort op de puntjes?
A
uitbesteden
B
beogen
C
relatief
D
de ontgoocheling

Slide 35 - Quizvraag

Slide 36 - Tekstslide

Welk woord hoort bij de afbeelding?
A
de woordspeling
B
de recessie
C
beogen
D
de ontgoocheling

Slide 37 - Quizvraag

Wat is het woord?
..... betekent simpelweg dat je iets probeert te bereiken of te doen. Het gaat over het hebben van een doel of een intentie om iets te bereiken. Stel je voor dat je een pijl afschiet en je probeert het doel te raken. Het doel dat je hebt, is wat je .... te raken. Dus, als je zegt: "Ik ..... een goed cijfer te halen op mijn examen," betekent dit dat je je richt op het behalen van een goed cijfer als doel. Het draait allemaal om het hebben van een doel voor ogen en actie ondernemen om dat doel te bereiken.

Slide 38 - Tekstslide

Welk woord hoort op de puntjes?
A
beogen
B
de recessie
C
trotseren
D
uitbesteden

Slide 39 - Quizvraag

de achteruitgang van de economie
iemand bang maken, bedreigen
weerstaan
werk door iemand anders laten doen
uitbesteden
de recessie
trotseren
intimideren

Slide 40 - Sleepvraag

Opdracht 1
  • 15 teksten en 15 woorden hangen in het lokaal.
  • Op de achterkant van de teksten staan cijfers. 
  • Op de achterkant van de woorden staan letters. 
  • Maak de juiste combinaties. 
  • Zet de cijfers in volgorde. 
  • Goede combinaties gemaakt? Welk woord komt eruit?

Slide 41 - Tekstslide

Opdracht 2
  • 1 enveloppe: 18 kaartjes met zinnen, 18 kaartjes met woorden
  • Leg eerst alle kaartjes met zinnen op volgorde van 1 t/m 18. 
  • Leg daarna de woordkaartjes op de bijpassende zinnen. 
  • Klaar? Draai de woordkaartjes om. 
  • Staat er een logisch woord? Houd het woord voor jezelf, zodat anderen ook nog na kunnen denken. 

Slide 42 - Tekstslide