H5: drogredenen deel 2

Examenvoorbereiding
Argumentatieleer: drogredenen deel 2
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 7 videos.

time-iconLesduur is: 20 min

Onderdelen in deze les

Examenvoorbereiding
Argumentatieleer: drogredenen deel 2

Slide 1 - Tekstslide

Vul hier je naam in

Slide 2 - Open vraag

Drogredenen
Drogredenen zijn argumenten die niet logisch zijn en daarom niet aanvaardbaar. Drogredenen kunnen overtuigen, terwijl ze niet kloppen. Daarom is het belangrijk hier scherp op te zijn!
 

Er zijn twee soorten drogredenen, namelijk:
1) drogredenen waarin de argumentatieschema's onjuist worden gebruikt (vorige les +  herhaling)
2) drogredenen waarin de discussieregels worden overtreden (deze les!)

Slide 3 - Tekstslide

Herhaling drogredenen waarin argumentatieschema's onjuist worden gebruikt
Natuurlijk is sporten goed voor me! Geef me één reden om dat niet te doen!
Wat weet jij nou van lezen? Jij hebt nog nooit een boek open geslagen!
Ik vind vrijheid van meningsuiting belangrijk, iedereen moet kunnen zeggen wat hij of zij denkt!
Leerlingen moeten voor de uitleg naar dit lesuur komen.
- O, dus jij wil leerlingen van hun vrijheid beroven?
Jullie zijn allemaal verstandig genoeg om het met mij eens te zijn.
4. Vertekenen van een standpunt
1. Op de man spelen / persoonlijke aanval
2. Ontduiken van bewijslast
3. Cirkelredenering
5. Bespelen van het publiek

Slide 4 - Sleepvraag

Kijkopdracht
Drogredenen komen overal voor, ook in de Tweede Kamer.
Je gaat nu naar acht verschillende politici kijken die drogredenen gebruiken. 

Aan jou de taak om te ontdekken van welke drogredenering sprake is!

Slide 5 - Tekstslide

Vraag 1
Bekijk het volgende fragment (vanaf 01:09).
Welke drogreden gebruikt Yeşilgöz (VVD)?

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Video

Welke drogreden gebruikt Yeşilgöz?
A
onjuist beroep op kenmerkschema
B
verkeerde oorzaak-gevolg relatie
C
vertekenen van een standpunt
D
bespelen van het publiek

Slide 8 - Quizvraag

Vraag 2
Welke drogreden gebruikt Baudet (FvD)? (00:00 - 01:00)

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Video

Welke drogreden gebruikt Baudet?
A
onjuist beroep op kenmerk
B
verkeerde oorzaak-gevolg relatie
C
vertekenen van een standpunt
D
verkeerde vergelijking

Slide 11 - Quizvraag

Vraag 3
Bekijk het volgende fragment (1:25 - 2:30).
Welke drogredenen gebruikt Jetten (D66)?

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Video

Welke drogredenen gebruikt Jetten?
A
vals dilemma
B
onjuist beroep op autoriteit
C
cirkelredenering
D
persoonlijke aanval

Slide 14 - Quizvraag

Vraag 4
Welke drogreden gebruikt Graus (PVV)? (00:00 - 01:23)

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Video

Welke drogreden gebruikt Graus hier?
A
persoonlijke aanval
B
cirkelredenering
C
onjuist beroep op kenmerken
D
verkeerde vergelijking

Slide 17 - Quizvraag

Vraag 5
Bekijk het volgende fragment?
Welke drogredenen gebruikt deze mevrouw?

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Video

Welke drogreden gebruikt deze mevrouw?
A
verkeerde vergelijking
B
bespelen van het publiek
C
beroep op autoriteit
D
onjuist beroep op kenmerken

Slide 20 - Quizvraag

Vraag 6
Bekijk het volgende fragment (0:00 - 02:04).
Welke drogreden gebruikt Timmermans (PvdA)?

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Video

Welke drogreden gebruikt Timmermans?
A
vals dilemma
B
verkeerde oorzaak-gevolg relatie
C
vertekenen van een standpunt
D
persoonlijke aanval

Slide 23 - Quizvraag

Vraag 7
Welke drogreden gebruikt Wilders (PVV)?

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Video

Welke drogreden gebruikt Wilders?
A
vals dilemma (voor- en nadelen)
B
vertekenen van het standpunt
C
cirkelredenering
D
ontduiken van de bewijslast

Slide 26 - Quizvraag

Vraag 8
Welke drogreden gebruikt Trump in deze tweet?

Slide 27 - Tekstslide

Welke drogreden gebruikt Trump hier?
A
overdrijven van voor- en nadelen
B
overhaaste generalisatie
C
cirkelredenering
D
verkeerde vergelijking

Slide 28 - Quizvraag

Hoe nuttig vond je de lessen over drogredenen?
😒🙁😐🙂😃

Slide 29 - Poll

Waar wil jij volgende week uitleg over?

Slide 30 - Open vraag