H3A §10- lastig te benoemen woorden- die, dat, wie ,wat

C5§10Lastige woordsoorten 
die,dat, wie, wat
1 / 14
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 14 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 80 min

Onderdelen in deze les

C5§10Lastige woordsoorten 
die,dat, wie, wat

Slide 1 - Tekstslide

Lesdoel


In deze les leer je de woordsoort van die, dat, wie en wat herkennen.




Slide 2 - Tekstslide

havo3-C6-§2-samentrekking controleren
Bekijk de volgende zin:
Wie heeft jou al wat verteld over dat feestje met die bekende deejay?
In deze zin is Wie een vragend voornaamwoord, wat een onbepaald voornaamwoord en zijn dat en die allebei aanwijzend voornaamwoord.

In andere zinnen kan dat heel anders zijn, want die, dat, wie en wat kunnen tot verschillende woordsoorten behoren:

Slide 3 - Tekstslide

Noteer/Leer!!

Slide 4 - Tekstslide

havo3-C6-§2-samentrekking controleren
-DIE kan aanwijzend en betrekkelijk voornaamwoord zijn;

-DAT kan aanwijzend en betrekkelijk voornaamwoord zijn en onderschikkend voegwoord;

-WIE kan vragend en betrekkelijk voornaamwoord zijn;

-WAT kan vragend, betrekkelijk en onbepaald voornaamwoord zijn, maar ook telwoord.

Slide 5 - Tekstslide

§10- lastig te benoemen woorden- die, dat, wie ,wat
die/dat
Om de woordsoort van die en dat vast te stellen, kun je het woord vervangen door deze of dit. Als dat kan, zijn die en dat aanwijzend voornaamwoord. Voorbeelden:

a Je kunt die (1) film die (2) dat (3) meisje heeft aangeraden, niet meer zien.

In zin a kun je die (1) en dat (3) vervangen door deze en dit. Het zijn aanwijzende voornaamwoorden. Je kunt die (2) niet vervangen; die (2) is een betrekkelijk voornaamwoord; het verwijst immers naar een antecedent: die film.

Slide 6 - Tekstslide

§10- lastig te benoemen woorden- die, dat, wie ,wat
b Ik heb gehoord dat (4) die (5) film niet meer draait.

In zin b kun je die (5) vervangen door deze, maar dat (4) kun je niet vervangen door dit.

Dat (4) is hier een onderschikkend voegwoord; het staat immers aan het begin van een bijzin.

Slide 7 - Tekstslide

Cursus 7-§ 13-Werkwoordsvormen en wwtijden
Er zijn twee soorten voegwoorden:

Een nevenschikkend voegwoord (ns.vgw) verbindt meestal twee woorden, twee woordgroepen of twee hoofdzinnen:
– {hoofdzin Een tompouce is lekker}, maar {hoofdzin dit gebakje is lastig om te eten}.

Er zijn vijf nevenschikkende voegwoorden
dus, en, maar, of en want.

Slide 8 - Tekstslide

Cursus 7-§ 13-Werkwoordsvormen en wwtijden
Een onderschikkend voegwoord (os.vgw) verbindt meestal een bijzin met een hoofdzin.
– {hoofdzin Het treinverkeer naar Groningen is vrijdag ontregeld, (bijzin nadat onder het spoor bij Taarlo een bevergang werd ontdekt)}.

Onderschikkende voegwoorden zijn onder meer: aangezien, als, dan, dat, doordat, hoewel, mits, nadat, of, omdat, opdat, tenzij, terwijl, toen, voordat, zodat en zodra.

Slide 9 - Tekstslide

§10- lastig te benoemen woorden- die, dat, wie ,wat
wie/wat
Als wie en wat het begin zijn van een vraagzin, is er sprake van een vragend voornaamwoord:

 – Julia heeft geen idee wie ze wil meenemen naar het concert.
Als wie en wat verwijzen naar een antecedent, zijn ze een betrekkelijk voornaamwoord:
– Je kunt niet alles wat je krijgt, bewaren.

Slide 10 - Tekstslide

§10- lastig te benoemen woorden- die, dat, wie ,wat
Als wat gebruikt wordt in de betekenis van iets, is het een onbepaald voornaamwoord:
 
– Voor vanavond heb ik wat te smikkelen gekocht.
Als wat gebruikt wordt in de betekenis van een beetje, is het een telwoord:
– Er is nog wat lasagne over van gisteravond.

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Link

Aan de slag
Maken opdracht 1 t/m 5

WOENSDAG TOETS BLOK 5
 §1.5; 5.7; 6.4; 5.8; 5.10; 6.5; 7.4;7.5

Slide 13 - Tekstslide

§10- lastig te benoemen woorden- die, dat, wie ,wat

Slide 14 - Tekstslide