H4 Thema 5 B5 Neurale regulatie

Thema 5 Regeling
herhaling (5 min)
huiswerk maken en bespreken (15 min)
Uitleg B5 deel 1 (20 min)
Neurale regulatie
1 / 48
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 48 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

Thema 5 Regeling
herhaling (5 min)
huiswerk maken en bespreken (15 min)
Uitleg B5 deel 1 (20 min)
Neurale regulatie

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Sleep ieder onderdeel naar de juiste plek.
Axon
Dendriet
Cellichaam
Synaps
Myelineschede

Slide 2 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Iemand trapt op een punaise . Tijdens de reflex die daarop volgt, wordt het been omhooggetrokken.

Beschrijf de reflexboog waarlangs de impulsen worden geleid bij deze reflex. 
Beenspieren
Gevoelszenuwcellen
Bewegingszenuwcellen
Zintuigcellen in de voet
Schakelcellen in het ruggenmerg
hersenen

Slide 3 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Doen:
maken opdracht 37 t/m 46
Doorlezen B5 blz 44-46 + maken 52 t/m 55

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
  • Je kunt beschrijven hoe impulsgeleiding plaatsvindt

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Impulsgeleiding
Rustpotentiaal
  • Iedere zenuwcel bevat een elektrische lading die staat op het membraan= potentiaal
  • De lading komt tot stand door de verdeling van ionen binnen en buiten de cel
  • Binnenin de cel bevinden zich minder ionen met een positieve lading en zijn er ook nog ionen met een negatieve lading
  • De rustpotentiaal is daarom negatief -> -70 milliVolt (mV)

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

impulsgeleiding
Impulsgeleiding: reeks opvolgende
actiepotentialen over het membraan
van de zenuwcel
actiefase - herstelfase

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Impulsgeleiding
Zenuwcel in rust -> - lading aan binnenkant celmembraan

Wanneer een prikkel boven de prikkeldrempel komt dan: 
Actiefase -> binnenkant krijgt gedurende korte tijd + lading
Herstelfase -> Binnenkant krijgt weer - lading en wordt kort iets negatiever


Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Impulsgeleiding (zonder myelineschede)
Sprongsgewijze impulsgeleiding (met myelineschede)

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

THE WAVE

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

impulsgeleiding

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opdrachten B5
52 t/m 60

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Impulsgeleiding
  • Een impuls in een zenuwcel begint als er neurotransmitters binden aan de receptor in de synaptische spleet
  • Dit leidt tot het 1 voor 1 opengaan van de ion-kanalen
  • Het opengaan van ion-kanalen zorgt voor transport van positief geladen ion over het membraan waardoor het potentiaal van het membraan verandert.
  • Iedere zenuwcel heeft een prikkeldrempel: Als de potentiaal hoger wordt dan -50 mV ontstaat er een impuls. Als deze niet wordt gehaald wordt het impuls niet doorgegeven. Alles-of-niets principe
  • De afbeelding rechts laat zien wat er gebeurt met het membraanpotentiaal zodra een impuls plaatsvindt. 

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Programma
Introductie
Herhaling impulsgeleiding vorige les
Huiswerk opdracht 59 en 60

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

waarom we (eigenlijk) iedere dag een




moeten eten... (vooral in de winter)

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 16 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Pak je binas tabel 88

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Programma
Herhaling (15 min)
Lezen + maken contextopgaven ADHD (10 min)
Start uitleg B6 Spieren

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Impulssterkte en impulsfrequentie
  • Impulssterkte: de grootte van de verandering die optreedt in de elektrische lading van het celmembraan
  • Impulsfrequentie: het aantal impulsen per tijdseenheid
  • Of een impuls wordt doorgegeven of niet, is afhankelijk van de impulssterkte en impulsfrequentie
  • Bij een zwakke prikkel wordt de drempelwaarde (-50mV) niet gehaald en blijven de meeste ion-kanalen dicht. De impuls wordt dus niet doorgegeven. Er geldt dus een alles-of-nietsprincipe

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Impulsfrequentie
  • Je lichaam vertaalt prikkels naar impulsen. Hoe sterker de prikkel is, hoe meer impulsen er per seconde worden gegenereerd (hogere impulsfrequentie)

  • Bijvoorbeeld: 
       - hard geluid = veel  
          impulsen per seconde
        - zacht geluid = weinig impulsen  
           per seconde

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

In welk diagram is het verband tussen prikkelsterkte en impulsSTERKTE juist weergegeven?
A
diagram 1
B
diagram 2
C
diagram 3
D
diagram 4

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

In welk diagram is het verband tussen prikkelsterkte en impulsFREQUENTIE juist weergegeven?
A
diagram 1
B
diagram 2
C
diagram 3
D
diagram 4

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat gebeurt er met de impulsgeleiding bij een beschadigde myelineschede zoals bij de ziekte MS?
A
de impulsgeleiding gaat sneller door extra sprongen die de impulsgeleiding maakt
B
de impulsgeleiding gaat langzamer door minder sprongen die de impulsgeleiding maakt
C
de de impulsgeleiding gaat sneller door minder sprongen die de impulsgeleiding maakt
D
de impulsgeleiding gaat langzamer door extra sprongen die de impulsgeleiding maakt

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Maak opdracht 61 (3 min)

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Context ADHD blz 50 (10 min)
lees de context en onderstreep/highlight de belangrijkste  biologische informatie

Maak opdrachten 62 en 63

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Thema 5 Regeling
B6 Spieren en beweging

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

B6: Spieren en beweging
Leerdoelen B6:
  • 2 soorten spierweefsel
  • bouw en werking van skeletspieren



Slide 27 - Tekstslide

Het skelet maakt beweging mogelijk. Daarvoor zijn ook spieren nodig. Spieren zitten aan je botten vast. Spieren en skelet zorgen samen voor bewegingen. Alle spieren samen vormen het spierstelsel. 
plaats spier en pees
Alle spierbundels zijn omgeven door een vlies van bindweefsel. Deze vliezen komen aan elke kant van de spier samen en vormen daar een stevige pees.

 Met de pees is de spier goed vastgehecht aan  het bot.

 Een spier zit dus niet aan het bot. 

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lees "typen spierweefsel" blz 51

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Skeletspierweefsel
Glad spierweefsel
traag maar wordt niet snel niet moe
traag wordt wel snel moe
Willekeurig
Onwillekeurig
In de organen
Met pezen vast aan het skelet
autonome zs
animale zs

Slide 31 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

2

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bouw van een spier
Spiervolgorde van groot naar klein:

Spier met spierschede en pezen
Spierbundels
Spiervezels
Spierfibrillen
filamenten (actine en myosine)

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Maak opdrachten
64 t/m 66
Huiswerk 67 en 68

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Begrippen B5
- Impulsgeleiding                                                                 - Sprongsgewijze impulsgeleiding
- Rustpotentiaal                                                                    - Impulsoverdracht
- Ionenpomp/ Na/K pomp                                                 - Neurotransmitter
- Drempelwaarde
- Actiefase
- Herstelfase
- Alles-of-niets principe
- Prikkeldrempel

- Impulssterkte
- Impulsfrequentie

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het nut van een myelineschede (1)
Zonder myelineschede:
  • Impulsen worden geleid door het opengaan van ionkanalen
  • Ionkanalen reageren op de elektrische lading 
  • Als op plaats P de ionkanalen opengaan, ontstaat er een impuls
  • Het opengaan zorgt voor een verandering in elektrische lading op plaats Q
  • Hierdoor gaan op plaats Q de ionkanalen open
  • Op deze manier wordt een impuls stapsgewijs doorgegeven over het hele axon

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De nut van een myelineschede (2)
Met myelineschede:
  • Stapsgewijze impulsgeleiding is echter best wel traag
  • Alleen bij insnoeringen actiepotentiaal
  • Myelineschedes (cellen van Schwann) zorgen ervoor dat een impuls sprongs-gewijs kan worden doorgegeven
  • Hierdoor wordt de impulsgeleiding veel sneller (120 m/s)

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vragen over opgaven 52-58?
Maak opdracht 59, 60 en 61

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Neurotransmitter in synaps en impulsoverdracht

Slide 40 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Neurotransmitters en impulsoverdracht
  • Impulsen worden tussen zenuwcellen overgegeven door neurotransmitters
  • Neurotransmitters binden aan receptoren
  • Deze receptoren zijn ion-kanalen voor Na+ die open gaan, zodra een neurotransmitter eraan bindt
  • Het opengaan van deze receptor ion-kanalen zorgt ervoor dat er een verandering optreedt in elektrische lading
  • Verandert de elektrische lading naar boven de drempel-waarde  dan wordt de impuls doorgegeven
  • Als de neurotransmitter los laat/afgebroken wordt door enzymen, gaan de ion-kanalen weer dicht

Slide 41 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Neurotransmitters
  • Stoffen die de werking van het zenuwstelsel beïnvloeden
  • Meer dan 50 verschillende stoffen 
  • Vooral in de hersenen veel verschillende
  • Kunnen stimulerend of juist remmend werken op de impulsgeleiding of impulsoverdracht

Slide 42 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Geneesmiddelen en genotmiddelen
Mechanismen:
  • meer of minder afgifte neurotransmitters
  • neurotransmitters blijven langer of juist korter in synapsspleet doordat ze niet/minder snel of respectievelijk sneller worden afgebroken
  • imitatie neurotransmitter
  • blokkade van receptor
  • stimuleren van receptor 

Slide 43 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorbeelden (1)
Alcohol: 
- Waarnemingsvermogen en reactievermogen wordt aanzienlijk minder.
- Sensorische en motorische impulsgeleiding wordt geremd (inhiberend)
- Impulsoverdracht in bepaalde synapsen in de hersenen vermindert.

Morfine, heroïne (pijnstillers):
- Verhindert de impulsoverdracht in bepaalde synapsen.
- Impulsen die in de hersenen pijngewaarwording veroorzaken kunnen niet ontstaan.

Nicotine:
- Stimuleert de impulsoverdracht in bepaalde synapsen (exciterend)

Slide 44 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorbeelden (2)
Neurotransmitter dopamine:
- Te grote productie van dopamine in bepaalde zenuwcellen --> Schrizofrenie
- Te weinig productie --> Parkinson

Gif zwarte weduwe (spin):
- massale afgifte neurotransmitter acetylcholine
- spierspasmen


Er kan gewenning optreden: Steeds meer stof nodig om hetzelfde effect te bereiken.

Slide 45 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 46 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Maak de opdracht 41
Klaar? Lees de context 'Honing en straatvuil'
en
maak opdracht 42

Slide 47 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Controleer je leerdoelen!

  • Ken je de begrippen? Oefen de Flitskaarten 

  • Check de leerdoelen met Test Jezelf


Slide 48 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies