In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Onderdelen in deze les
En la oficina de turismo
Unidad 3 Que tiempo hace?
Objetivo: planear un viaje
Slide 1 - Tekstslide
En la oficina de turismo
CONTEXT / DOELEN
Je bent op een VVV-kantoor in Spanje en je wilt je volgende reis boeken.
Het doel is dat je een gesprek kunt hebben in het Spaans om je volgende reis te boeken. Onderwerpen in het gesprek: begroeten, jouw wensen (wanneer, met wie, waar, hoe lang...), type verblijf, je plan en activiteiten, je kunt ook advies vragen en uiteindelijk reseveren.
Gramática: Futuro (ir + a + heel ww)
Vocabulario: turismo
Slide 2 - Tekstslide
Actividades en las vacaciones (wat doe jij op vakantie? Noem activiteiten in het Spaans)
Slide 3 - Woordweb
¿Qué significa (wat betekent) "la ciudad"?
A
het land
B
het toerisme
C
de stad
D
de kust
Slide 4 - Quizvraag
¿Qué significa (wat betekent) "la plaza"?
A
het plein
B
het strand
C
de winkel
D
het park
Slide 5 - Quizvraag
¿Qué significa (wat betekent) "la montaña"?
A
het centrum
B
de berg
C
de bezienswaardigheid
D
het pad
Slide 6 - Quizvraag
¿Qué significa (wat betekent) "la piscina"?
A
de bar
B
het zwembad
C
het bos
D
het restaurant
Slide 7 - Quizvraag
¿Qué significa (wat betekent) "está lloviendo"?
A
Het sneeuwt
B
Het heeft geregend
C
Het regent nu
D
Het is bewolkt
Slide 8 - Quizvraag
¿Qué tiempo hace?
A
Hay nieve
B
Hay niebla
C
Nieva
D
Hace nieve
Slide 9 - Quizvraag
¿Qué tiempo hace?
A
hace sol
B
hace frío
C
hace nube
D
hace viento
Slide 10 - Quizvraag
¿Qué tiempo hace?
A
Hay tormenta
B
Llueve
C
Hace lluvia
D
Hay lluvia
Slide 11 - Quizvraag
¿Qué tiempo hace?
A
Hace buen tiempo y hay sol
B
Hay buen tiempo y hace sol
C
Hace buen tiempo y hace sol
D
Hay buen tiempo y hace sol
Slide 12 - Quizvraag
Slide 13 - Tekstslide
Slide 14 - Tekstslide
Hoe zeg je "ik wil" in het Spaans?
Slide 15 - Open vraag
¿Qué vas a hacer en las vacaciones?
¿Qué haces en las vacaciones?
¿Qué has hecho en las vacaciones?
En las vacaciones voy a nadar, leer y caminar mucho.
En las vacaciones yo nado, leo y camino con mi familia
En las vacaciones he nadado, caminado y he visitado lugares.
Slide 16 - Sleepvraag
¿Qué vas a hacer allí?
Slide 17 - Open vraag
¿Adónde quieres ir?
Slide 18 - Open vraag
¿Cuándo quieres ir?
Slide 19 - Open vraag
¿Cuánto tiempo quieres ir?
Slide 20 - Open vraag
Hoe vraag je voor de prijs?
A
¿El precio?
B
¿Cuántos euros es?
C
¿Cuánto cuesta?
D
¿Cuánto es?
Slide 21 - Quizvraag
¿Cómo se dice (hoe zeg je) "ik wil reserveren, alsjeblieft".
A
Estoy reservando, aquí tienes.
B
Yo quiero viajar, no gracias.
C
Quiero reservar, por favor
D
Yo busco un viaje, por favor
Slide 22 - Quizvraag
¡Olé! ¡Muy bien!
Je hebt nu de futuro en dus ook het werkwoord IR en ook Querer herhaald.
Je bent belangrijke woordjes tegengekomen die temaken hebben met Turismo en
je helpt uiteindelijk zelf zinnen toegepast/gemaakt/herhaald.