Deze taalhandelingen komen vaak in het examen voor:
- een mening geven
- een advies geven
- een instructie geven
Er komen soms ook andere taalhandelingen in het examen voor, zoals:
- ergens over klagen
- een beleefde vraag stellen
- informatie / een omschrijving geven
Slide 3 - Tekstslide
Slide 4 - Tekstslide
Mogelijke antwoorden
"Ik vind zoeken naar dieren in het water het beste idee want kinderen vinden het leuk om buiten te zijn en volgens mij leren ze daar veel van."
"Ik vind het beter om naar het museum met (opgezette) dieren te gaan, want daar zien kinderen veel meer verschillende dieren."
Slide 5 - Tekstslide
Slide 6 - Tekstslide
Voorbeeldantwoord:
"Eerst moet je de katten eten geven. Daarna moet je de honden uitlaten."
"Ten eerste geef je de katten eten. Ten tweede laat je de honden uit."
Slide 7 - Tekstslide
Slide 8 - Tekstslide
Voorbeeldzinnen
"Als ik jou was, zou ik de tv uitzetten en de radio uitdoen, zodat je geen afleiding hebt.
Het beste is om de deur dicht te doen, zodat de kat niet binnenkomt en je niet stoort.
Je zou misschien aan je bureau kunnen zitten en op tijd beginnen met leren, zodat je niet moe bent."
Slide 9 - Tekstslide
Taalhandeling:
Ergens over klagen
Handige zinnen:
Ik heb een klacht over..
Ik heb last van...............
Ik ben niet blij met
Slide 10 - Tekstslide
Voorbeeldantwoord
"Ik heb een klacht over het lawaai tijdens het examen. Ik hoor een boormachine en een hamer, en ik kan me niet concentreren. Het beste is om het werk later te doen, als er geen examen is."
Slide 11 - Tekstslide
Slide 12 - Tekstslide
Voorbeeldantwoorden
Goedemiddag. Ik heb een munt van €1,- nodig (voor het winkelwagentje). Kunt u mijn munt van €2,- wisselen?
Hallo. Zou je mijn munt van €2,- willen wisselen voor 2 munten van €1,- ?
Wilt u mijn munt van €2,- wisselen voor 2 munten van €1,- ?
Slide 13 - Tekstslide
Taalhandeling:
Informatie geven/beschrijven
Handige zinnen/signaalwoorden:
eerst ga ik..
dan/ daarna..
vervolgens ..
bovendien..
ten eerste.. ten tweede.. ten derde..
tot slot..
Slide 14 - Tekstslide
Voorbeeldantwoord:
"Eerst ga ik douchen. Dat duurt 10 minuten. Daarna trek ik mijn kleren aan, dat duurt ook 10 minuten. Vervolgens fiets ik naar de stad. Dat duurt 10 minuten. In totaal heb ik dus 30 minuten nodig voordat ik in de stad ben."