HEY H2 elektriciteit herhaling


Herhaling: Elektriciteit

1 / 53
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 53 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les


Herhaling: Elektriciteit

Slide 1 - Tekstslide

Lading
  • Symbool: Q
  • Eenheid: C (Coulomb)

  • Een elektron heeft lading -e = 1,602 x 10-19 C

  • Gelijke lading stoot elkaar af, ongelijke lading                                                            trekt elkaar aan

Slide 2 - Tekstslide

De staaf wordt positief, de doek negatief. Elektronen zijn verplaatst van
A
doek naar staaf
B
staaf naar doek

Slide 3 - Quizvraag

De positief geladen staaf raakt de knop. De blaadjes gaan uit elkaar omdat ze allebei gelijke lading hebben. Welke?
A
positief
B
negatief

Slide 4 - Quizvraag

Lading
  • Ionen zijn atomen met een overschot of tekort aan elektronen
  • Een zout bestaat uit een binding van positieve en negatieve ionen
  • In metaal bewegen de vrije elektronen. Dat is stroom.

Slide 5 - Tekstslide

Stroom
  • De stroomsterkte I (eenheid: Ampère) is de hoeveelheid lading die per seconde passeert: I = Q/t 
  • De stroom I  loopt van plus naar min. Vergelijk met water dat naar       beneden stroomt (nooit omhoog). 

Slide 6 - Tekstslide

De lading is 5,0 C en de tijd is 200 ms. Bereken de stroomsterkte.
A
25 A
B
1 A
C
0,025 A

Slide 7 - Quizvraag

Q = 5,0 C
t = 200 ms = 0,200 s
I = Q / t = 5 / 0,200 = 25 A

Slide 8 - Tekstslide

Er is een stroomsterkte van 50 mA. Hoeveel lading loopt er dan door een lampje in 5,0 s?
A
0,010 C
B
250 C
C
0,25 C
D
10 C

Slide 9 - Quizvraag

I = 50 mA = 0,050 A
t = 5,0 s
Q = I * t = 0,050 * 5 = 0,25 C

Slide 10 - Tekstslide

Spanning
  • Er kan alleen stroom lopen als er spanning is.

  • Spanning wordt veroorzaakt door een spanningsbron, bijv. een batterij.
  • Een batterij werkt als een soort pomp. 
  • In de spanningsbron wordt de de stroom (normaal gesproken)                   van - naar + (van laag naar hoog) gepompt.
  • Buiten de spanningsbron gaat de stroom van + naar - (van hoog naar       laag).

Slide 11 - Tekstslide

Spanning
  • Symbool: U
  • Eenheid: V (Volt)
  • AA batterij: 1,5 V
  • Stopcontact: 230 V
  • Hoogspanningskabels: 50 kV = 50.000 V

Slide 12 - Tekstslide

Stroomkring
Bestaat uit:
  • Spanningsbron die elektrische energie levert
  • Geleiders (draden) die stroom geleiden
  • Apparaten die elektrische energie omzetten                                                                 (in bijv. licht of warmte).

Slide 13 - Tekstslide

Stroom en spanning
  • Een spanningsmeter meet de spanning tussen twee punten, stroom gaat niet door de meter.
  • Een stroommeter meet de stroomsterkte door een draad, stroom gaat wel door de meter.

Slide 14 - Tekstslide

Als je een stroommeter voor een lamp zet meet je een grotere stroomsterkte dan achter de lamp
A
waar
B
niet waar, even groot
C
niet waar, kleiner

Slide 15 - Quizvraag

Hoe moet je een voltmeter aansluiten?
A
parallel
B
in serie

Slide 16 - Quizvraag

De lamp boven je bureau geeft licht. Dit kan alleen als de lamp is aangesloten                    een stopcontact. Er staat dan een spanning van 230 V                      de aansluitpunten van de lamp. De lamp staat                         spanning. Er loopt een elektrische stroom                      de lamp.
timer
1:00
door
onder
op
over

Slide 17 - Sleepvraag

Batterijen van ieder 1,5 V zijn geschakeld. Wat is de spanning tussen A en D?
A
0,0 V
B
1,5 V
C
3,0 V
D
4,5 V

Slide 18 - Quizvraag

Batterijen van ieder 1,5 V zijn geschakeld. Wat is de spanning tussen A en E?
A
0,0 V
B
1,5 V
C
3,0 V
D
4,5 V

Slide 19 - Quizvraag

Batterijen van ieder 1,5 V zijn geschakeld. Wat is de spanning tussen A en F?
A
0,0 V
B
1,5 V
C
3,0 V
D
4,5 V

Slide 20 - Quizvraag

Als je de spanning verhoogt wordt de stroomsterkte
A
groter
B
kleiner
C
gelijk

Slide 21 - Quizvraag

Als je de spanning verhoogt wordt de energie per Coulomb lading
A
groter
B
kleiner
C
even groot

Slide 22 - Quizvraag

CAPACITEIT
Alle batterijen hiernaast leveren 1,5 V

Maar je hebt dikke en dunne batterijen

Welke batterij gaat het langste mee?

Dik - meer chemische stoffen in de batterij - gaan langer mee

1

Slide 23 - Tekstslide

Capaciteit
 



Symbool: C
Eenheid: Ah (Ampère-uur) of mAh (milli Ampère-uur)
C=It
Capaciteit=stroomsterktetijd

Slide 24 - Tekstslide

Weerstand

Ieder apparaat (en ook stroomdraad) heeft een weerstand.

De weerstand geven we de letter R en het symbool ohm        


Geleidende materialen hebben een kleine (soortelijke) weerstand.

Isolatoren hebben een grote (soortelijke) weerstand.

Ω

Slide 25 - Tekstslide

NTC

Temperatuur gevoelige weerstand:
hogere temperatuur 

Lage weerstand

meer stroom

LDR

Licht gevoelige weerstand:
meer licht         

Kleine weerstand

meer stroom

Slide 26 - Tekstslide

Werken met weerstanden
Soorten weerstanden:
  • Diode: laat de stroom maar in één richting door.
                      Doorlaatrichting is van plus naar min.
  • LED:     diode die licht geeft.

Slide 27 - Tekstslide

Bij een NTC-weerstand wordt de weerstand groter als .... ?
A
de temperatuur stijgt
B
het lichter wordt
C
de temperatuur daalt
D
deze geen stroom krijgt

Slide 28 - Quizvraag

Een Ohmse-weerstand is een weerstand die:
A
Gevoelig is voor temperatuur
B
Gevoelig is voor licht
C
Altijd dezelfde waarde heeft
D
Geen van bovenstaande

Slide 29 - Quizvraag

Met welke formule bereken je de weerstand?
Weerstand =
A
U=RI
B
R=IU
C
R=UI
D
I=UR

Slide 30 - Quizvraag

Serieschakeling
Serieschakeling
schakelschema van een serieschakeling
Een serieschakeling heeft maar één route. 
De stroomsterkte in die route is overal even groot.

Slide 31 - Tekstslide

Serieschakeling
Stroomsterkte: Itot= I1 = I2 = ..
Spanning: Utot = U1 + U2 + ..
Weerstand: Rtot = R1 + R2 + ..

Of Rtot = Utot / Itot

Slide 32 - Tekstslide

Parallelschakeling
Stroomsterkte in een parallelschakeling

Slide 33 - Tekstslide

Parallelschakeling
Stroomsterkte: Itot= I1 + I2 + ..
Spanning: Utot = U1 = U2 = ..
Weerstand: 1/Rtot = 1/R1 + 1/R2 + ..

Slide 34 - Tekstslide

Gemengde schakeling

Slide 35 - Tekstslide

De stroomsterkte in een serieschakeling...
A
Wordt verdeeld
B
Is overal gelijk

Slide 36 - Quizvraag

De spanning in een serieschakeling...
A
Wordt verdeeld
B
Is overal gelijk

Slide 37 - Quizvraag

Welke uitspraak over serieschakelingen is waar?
In een serieschakeling:
A
branden alle lampjes of zijn alle lampjes uit.
B
is de stroomsterkte niet overal even groot.
C
komen overal vertakkingen voor.
D
kun je elk lampje afzonderlijk aan of uit doen.

Slide 38 - Quizvraag

Is het een serieschakeling
of een parallelschakeling?
A
Serie
B
Parallel

Slide 39 - Quizvraag

Je ziet hier een serieschakeling van twee weerstanden en een spanningsbron. De spanning van de spanningsbron is 30 V. De weerstand R1 = 100 Ω en weerstand R2 = 200 Ω. Bereken de spanning over de weerstanden R1.
A
0,1 V
B
10 V
C
20 V
D
0,001 V

Slide 40 - Quizvraag

Parallelschakeling

A
Stroomsterkte (I) verdeelt zich Spanning (U) verdeelt zich
B
Stroomsterkte (I) verdeelt zich Spanning (U) overal gelijk
C
Stroomsterkte (I) overal gelijk Spanning (U) verdeelt zich
D
Stroomsterkte (I) overal gelijk Spanning (U) overal gelijk

Slide 41 - Quizvraag

Hoe groot is de totale weerstand in een parallelschakeling als R1=20 Ω, R2=40 Ω is.
A
13,3 Ω
B
15,3 Ω
C
800 Ω
D
20 Ω

Slide 42 - Quizvraag

Welke uitspraak over parallelschakelingen is waar?


In een parallelschakeling:
A
branden alle lampjes of zijn alle lampjes uit.
B
komen geen vertakkingen voor.
C
is de stroomsterkte altijd overal even groot.
D
kun je elk lampje afzonderlijk aan of uit doen.

Slide 43 - Quizvraag


Voorspel wat er met de andere lampjes gaat gebeuren als lampje B stuk gaat. (hoe loopt de stroom?)
Gemengde schakeling
A
Lampje C en D branden ook niet.
B
Lampje C brandt ook niet meer.
C
Lampje A en C branden ook niet meer.
D
Alle lampjes branden nog.

Slide 44 - Quizvraag

Vermogen
Apparaten verbruiken energie, hoeveel energie per seconde een apparaat verbruikt noemen we het vermogen.
De eenheid van vermogen is dan ook J/s, of Watt (W).

Grotere apparaten hebben ook grotere vermogens, hiervoor gebruiken we vaak de eenheid kiloWatt (kW), dit is 1000 W

Slide 45 - Tekstslide

Vermogen
Hoe meer Volt (V), des te groter is het vermogen.

Hoe meer Ampère, des te groter het vermogen.
                          
De formule voor het vermogen is:
Vermogen = spanning x stroom
          P          =          U         x        I
driehoek

Slide 46 - Tekstslide

De weerstand van een spanningszoeker is
A
heel groot
B
heel klein

Slide 47 - Quizvraag

Vermogen is een grootheid.
Wat is de eenheid voor vermogen?
A
Watt (W)
B
Volt (V)
C
Power (p)
D
Ampère (A)

Slide 48 - Quizvraag

Hoe werkt een zekering?
A
Als de spanning te hoog wordt, opent hij een schakelaar.
B
Bij een te hoge stroomsterkte brandt hij door.
C
Bij een te hoge stroomsterkte laat hij een alarm afgaan.
D
Bij een te hoge stroomsterkte zit de hele stad zonder elektriciteit.

Slide 49 - Quizvraag

Bij kortsluiting........
A
zijn er teveel apparaten op dezelfde groep aangesloten
B
gaat de stroom direct van + naar -, zonder apparaat ertussen
C
Is de stroomdraad te kort om goed te kunnen geleiden
D
is de stroomkring een heel korte tijd gesloten

Slide 50 - Quizvraag

In moderne groepenkasten zitten elektronische zekeringen.
Wanneer schakelt een zekering de elektriciteit uit?
A
bij een lekstroom en bij kortsluiting
B
bij kortsluiting en bij overbelasting
C
bij een lekstroom en bij overbelasting
D
bij een lekstroom, bij kortsluiting en bij overbelasting

Slide 51 - Quizvraag

Waar tegen zal een aardlekschakelaar je beschermen?
A
Een hoog stroom verbruik
B
De schok van het aanraken van een defect apparaat.
C
De schok door het aanraken van een fasedraad.
D
Brand als er te veel stroom loopt

Slide 52 - Quizvraag

Aan de slag
Gemengde opgaven

Slide 53 - Tekstslide