question words





Question words
Question words
1 / 43
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvmbo, mavo, havo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 43 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les





Question words
Question words

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Goals
I know which question words there are.
I know what the question words mean.
I can make questions with the question words.

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Name some question words

Slide 3 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Slide 4 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Question words

Who                  Which                What
When               Where                 Why               How

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

who = wie
which = welke (beperkte keuze)
what = wat (onbeperkte keuze)
when = wanneer
where = waar
why = waarom
how = hoe

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Match the question words into the correct questions
................ don't you like apple juice?
................ is my red sweat shirt, Mum?
................  do Anne and Betty get to school every day?
................  do you play volleyball?
Where
How
What
When
Why

Slide 7 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


....... have you been?
A
Which
B
Who
C
What
D
Where

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


......... do you live with?
A
Who
B
When
C
Where
D
How much

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


........ is my bike?
A
Who
B
Where
C
Which
D
Why

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


..... can we study better?
A
how
B
who
C
which
D
why

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


..... colour do you like, blue or red?
A
what
B
who
C
which
D
why

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het juiste vragende voornaamwoord?

____ would you do if you won the lottery?
A
Who
B
Why
C
What
D
Which

Slide 14 - Quizvraag

What = wat

Wat zou jij doen als je de loterij won?
Fill in the correct question word:

... are you? - I am Mila.
A
How
B
Who
C
When
D
Why

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Choose the correct question word:

... is that? Is that Rijk?
A
Who
B
What
C
How
D
Why

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

I know the question words and how to use them.
😒🙁😐🙂😃

Slide 17 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Worksheet
Do the exercise on the handout

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Think of a question you could ask someone you just met, using the question words.

Slide 19 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

'When' is a question word.
A
True
B
False

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Choose the question word.
A
Where
B
do
C
find
D
question

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Choose the right question word:

........ is my bike? Behind the house.
A
Who
B
Where
C
Which
D
Why

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Which question word would you use to ask about a place?
A
when
B
what
C
who
D
where

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Which question word would you use to ask about a person?
A
how
B
who
C
why
D
when

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Which question word would you use to ask about a choice?
A
what
B
which
C
when
D
how

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Choose the correct question word.
________ sits next to Yuna? Noa.
A
Who
B
What
C
Which
D
How

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Choose the correct question word.
_____ does the boy come from? He's from Newcastle.
A
How
B
Why
C
Where
D
Which

Slide 27 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Choose the right question word:

....... have you been? In London.
A
Which
B
Who
C
What
D
Where

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Choose the correct question word.
_____ is Lia's birthday? In April, I think.
A
How
B
Which
C
When
D
What

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Choose the correct question word.
_____ fastfood is your favourite, Burger King or McDonald's?
A
What
B
Which
C
When
D
How

Slide 30 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Which of these is not a question word?
A
Who
B
What
C
Which
D
That

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Choose the right question word:

......... do you live with? My parents.
A
Who
B
When
C
Where
D
How much

Slide 32 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Choose the right question word:

..... can we get there? By car.
A
How
B
Who
C
Which
D
Why

Slide 33 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Choose the correct question word:

____ is the nearest supermarket?
A
Why
B
When
C
Where
D
Who

Slide 34 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Choose the correct question word.
... are you late? I missed the bus.
A
Who
B
Where
C
Why
D
How

Slide 35 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Choose the correct question word.
_____ is Pepijn's party?
A
Why
B
Who
C
That
D
When

Slide 36 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Choose the correct question word.
_____ is your friend? He's sick.
A
When
B
Why
C
How
D
Who

Slide 37 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Maak zelf een vraag met:
'Which"

Slide 38 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Maak zelf een vraag met:
'What"

Slide 39 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Maak zelf een vraag met:
'When"

Slide 40 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Maak zelf een vraag met:
'Why"

Slide 41 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Maak zelf een vraag met:
'How"

Slide 42 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 43 - Link

Deze slide heeft geen instructies