In deze les zitten 50 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Dit is niet oké
Onderdelen in deze les
Krachten gebruiken
Slide 1 - Tekstslide
Leerdoelen
Je kunt uitleggen wat hefbomen zijn.
Je kunt rekenen met de formule voor zwaartekracht en de hefboomwet.
Slide 2 - Tekstslide
Hoe reken je de zwaartekracht uit?
A
W = F x s
B
C = F/u
C
M = F x r
D
Fz = m x g
Slide 3 - Quizvraag
Wat is de eenheid van zwaartekracht?
A
Watt
B
Newton per kilogram
C
Newton
D
Volt
Slide 4 - Quizvraag
Op een voorwerp van 3,5 kg werkt de zwaartekracht. Hoe groot is de zwaartekracht?
A
0,34 N
B
3,4 N
C
34,3 N
D
343 N
Slide 5 - Quizvraag
Wat is een hefboom?
A
Een manier om met een grote spierkracht een kleine werkkracht uit te oefenen.
B
Een manier om met een kleine spierkracht een grote werkkracht uit te oefenen.
C
Een manier om met een kleine werkkracht een grote spierkracht uit te oefenen.
D
Een manier om met een grote werkkracht een kleine spierkracht uit te oefenen.
Slide 6 - Quizvraag
Is deze hefboom in evenwicht?
A
Ja, de hefboom is in evenwicht
B
Nee, draait naar links
C
Nee, draait naar rechts
Slide 7 - Quizvraag
Hoe luidt de hefboomwet ?
A
s = v x t
B
F = m x g
C
M = F x r
D
F x r(l) = F x r(r)
Slide 8 - Quizvraag
Wat weet je nog van de vorige les?
Slide 9 - Woordweb
Soms wil je kracht verkleinen
Waar zit hier het draaipunt?
En de werkkracht?
En de spierkracht?
Werkkracht Fwerk
Spierkracht Fspier
Slide 10 - Sleepvraag
arm Lspier
arm Lwerk
Werkkracht Fwerk
Spierkracht Fspier
Slide 11 - Tekstslide
Waar zit hier het draaipunt?
En de werkkracht?
En de spierkracht?
Spierkracht Fspier
Werkkracht Fwerk
Slide 12 - Sleepvraag
Slide 13 - Tekstslide
Waar zit hier het draaipunt?
En de werkkracht?
En de spierkracht?
Spierkracht Fspier
Werkkracht Fwerk
Slide 14 - Sleepvraag
spierkracht
werkkracht
arm Lspier
Slide 15 - Tekstslide
Bij welke schaar is de werkkracht ongeveer even groot als de spierkracht?
A
Bovenste schaar
B
Middelste schaar
C
Onderste schaar
D
Bij geen van de drie
Slide 16 - Quizvraag
Wie kan uitleggen waarom de werkkracht net zo groot is als de spierkracht
Slide 17 - Tekstslide
Bij welke schaar is de werkkracht groter dan de spierkracht?
A
Bovenste schaar
B
Middelste schaar
C
Onderste schaar
D
Bij geen van de drie
Slide 18 - Quizvraag
Wie kan uitleggen waarom de werkkracht groter is dan de spierkracht
Slide 19 - Tekstslide
Ben wil de kracht meten waarmee een met heliumgas gevulde ballon omhoog wil. Hij bouwt de opstelling uit de figuur. Hij hangt een gewichtje aan een lichte hefboom, zodat de hefboom in evenwicht is. Het gewichtje weegt 40 g en hangt 4 cm van het draaipunt. De ballon hangt 20 cm van het draaipunt. Bereken de kracht waarmee de ballon omhoog wil.
Slide 20 - Open vraag
Notenkraker
Melle kraakt een walnoot met een notenkraker.
Hij oefent een kracht van 15 N uit op elk van de handvatten.
Bereken hoe groot de kracht op de walnoot is (gebruik het S.P.A.)
Slide 21 - Tekstslide
Notenkraker
rl = 4,0 cm; Fr = 30 N; rr = 11,2 cm
Fl = ?
Fl ∙ rl = Fr ∙ rr
Fl× 4,0 = 30 × 11,2
Fl x 4,0 = 336
Fl = 336/4,0 = 84 N
De kracht op de walnoot is 84 N
Slide 22 - Tekstslide
Dakkraan: om voorwerpen naar boven te brengen bij hoge gebouwen
In de tekening is de lengte van de armen weergegeven. De kraan is in gebruik en in evenwicht. De massa van het contragewicht bedraagt 1200 kg.
Bereken het gewicht dat de kraan
maximaal kan tillen zonder om te
vallen. Rond af op een geheel getal
Slide 23 - Tekstslide
Dakkraan: om voorwerpen naar boven te brengen bij hoge gebouwen
ml = 1200kg; rl = 0,8 m; rr = 3,5 m.
Fr = ?
Fl = ml x g = 1200 x 9,81 = 11772 N
Fl x rl = Fr x rr
11772 x 0,8 = Fr x 3,5
9417,6 = Fr x 3,5 => Fr = 9417,6/3,5 = 2691 N
Slide 24 - Tekstslide
Hoge druk of lage druk in bergen?
A
Hoge druk
(meer dan 1000 mbar)
B
Lage druk
(minder dan 1000 mbar)
Slide 25 - Quizvraag
De eenheid van druk is
A
kracht per meter (N/m).
B
newton per meter (N/m).
C
kracht per vierkante meter (N/m²).
D
newton per vierkante meter (N/m²).
Slide 26 - Quizvraag
Een druk van 5000 N/m² werkt op 0,40 m². Hoe groot is de kracht?
A
2000 N
B
12500 N
C
1250 N
D
125 N
Slide 27 - Quizvraag
Opgave Een graafmachine (m = 6000 kg) heeft rupsbanden om de druk te verkleinen naar 12 kPa.
Bereken het oppervlakte van de rupsbanden.
Oplossing
F = N
p = N/m2
A = F / p
A = m2
6000
58860
12
12000
4,9
6,0
Slide 28 - Sleepvraag
Wat gebeurd er met de druk als je het oppervlak kleiner maakt?
A
De druk blijft gelijk
B
De druk neemt toe
C
De druk neemt af
Slide 29 - Quizvraag
Je slaat met een hamer tegen een blok hout met een kracht van 100N. De hamerkop heeft een oppervlakte van 1 cm2. Hoe groot is de druk?
A
1000000N/m2
B
10000N/m2
C
1000N/m2
D
100N/m2
Slide 30 - Quizvraag
Een graafmachine heeft rupsbanden om zonder problemen over een drassig bouwterrein te kunnen rijden. De rupsbanden zijn nodig om de over een groter oppervlak te verdelen. Daardoor wordt de op de grond .
druk
kracht
groter
kleiner
Slide 31 - Sleepvraag
Vragen ?
Slide 32 - Tekstslide
Aan de slag
Bestudeer H 1.2 Maak de vragen 13 t/m 16, 18, 19, 21 t/m 24
Toets: 27 november 2024
Slide 33 - Tekstslide
Bij welke schaar is de werkkracht kleiner dan de spierkracht?
A
Bovenste schaar
B
Middelste schaar
C
Onderste schaar
D
Bij geen van de drie
Slide 34 - Quizvraag
Wie kan uitleggen waarom de werkkracht kleiner is dan spierkracht
Slide 35 - Tekstslide
Leerdoelen 4.2 Takels en andere werktuigen
- benoemen hoe je met katrollen, takels en tandwieloverbrengingen je spierkracht kunt overbrengen naar een grotere werkkracht
- berekeningen maken met katrollen
- de betekenis uitleggen van de uitspraak: 'wat je wint aan kracht, verlies je aan afstand'
Slide 36 - Tekstslide
Verhuizen in Amsterdam
vaste katrol
spierkracht is even groot als werkkracht, maar richting verandert
Slide 37 - Tekstslide
Slide 38 - Tekstslide
Hoe heet de kracht waarmee het blok naar beneden wordt getrokken?
Slide 39 - Open vraag
Zwaartekracht
Fz = m * g
Fz = zwaartekracht in N (Newton)
m = massa in kg
g = 9,81 m/s2 of 9,81 N/kg
Slide 40 - Tekstslide
Voorbeeld: Wat is de zwaartekracht op een blok van 20 kg?
Slide 41 - Open vraag
Wat is de zwaartekracht op een blok van 20 kg?
Gegeven: m = 20 kg g = 9,81 m/s2 of 9,81 N/kg
Gevraagd: Fz
Oplossing: Fz = m * g
Fz = 20 * 9,81 = 196,2 N
Schrijf altijd de formule op!
Slide 42 - Tekstslide
Slide 43 - Tekstslide
Losse katrol: minder kracht nodig, meer touw inhalen
Slide 44 - Tekstslide
Bij een vaste katrol verandert alleen de van de kracht. De grootte van de kracht blijft .
Met een losse katrol je de spierkracht die je nodig hebt en je de hoeveelheid touw die je in moet halen.
verdubbel
richting
gelijk
halveer
Slide 45 - Sleepvraag
Slide 46 - Tekstslide
Takels: je combineert losse en vaste katrollen
Spierkracht gelijk aan werkkracht, want verdeelt over 1 touw
Spierkracht helft van werkkracht, want verdeelt over 2 touwen. 2x zoveel touw inhalen
Spierkracht 1/3 van werkkracht, want verdeelt over 3 touwen. 3x zoveel touw inhalen
Slide 47 - Tekstslide
Wat je wint aan kracht, verlies je aan afstand
Hoe minder spierkracht je nodig hebt voor dezelfde werkkracht, hoe meer touw je in moet halen (of hoe langer je bezig bent, zie figuur 4.15 blz 136)
Slide 48 - Tekstslide
Kun je nu..
- benoemen hoe je met katrollen, takels en tandwieloverbrengingen je spierkracht kunt overbrengen naar een grotere werkkracht
- berekeningen maken met katrollen
- de betekenis uitleggen van de uitspraak: 'wat je wint aan kracht, verlies je aan afstand'