Hoyes el 4de octubre de 2022 : Día de los animales
1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansBeroepsopleiding
In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Lesduur is: 60 min
Onderdelen in deze les
Hoyes el 4de octubre de 2022 : Día de los animales
Slide 1 - Tekstslide
Werkwijze lessonup
1. De docent kan je in een “klas” op LessonUp plaatsen zodat je de les thuis nog eens rustig door kunt nemen en de quizzen, filmpjes, etc. nog zelf een keer kunt maken en bekijken.
2. Daarvoor is het wel nodig dat jij een account aanmaakt bij LessonUp.
Ga daarvoor naar https://www.lessonup.com/nl/ - menu - registreren als leerling – voer je gegevens in.
3. Voer je klascode in: hxqvj
Slide 2 - Tekstslide
¿Qué vamos a hacer hoy?
Grammatica: TB.
pag.112, 1.2 Uitspraak
p.119, 6.1 Pers. vnwoord
p.122, 7.1 Werkwoord op -AR
WB.
p.12: La acentuación
pags. 7-8-9
Oef. 9a/b, 10, 12, 15, 16
p.13 ,14 : Reglas y Sistemas: De uitspraak, de klemtoonregels, werkwoorden op -AR
Woordjes leren: opdr. 6 t/m 8
Slide 3 - Tekstslide
¿Tú o usted? p.13
TB nr. 7 cp.13 Escucha y marca si las personas hablan de de tú o usted.
usted
tú
usted
tú
Slide 4 - Tekstslide
Werkwoorden op - AR
Yo trabajo
tú trabajas
él, ella, usted trabaja
nosotros/as trabajamos
vosotros/as trabajáis
ellos/as ustedes trabajan
¿Para qué estudias español?
Para trabajar en España
Para viajar a Latinoamérica
Para estudiar en Barcelona
Para hablar con la familia de mi pareja
Para comprar una finca en Mallorca.
TBp.13 oef.8a
¿Para qué estudias tú español?
Slide 5 - Tekstslide
Regelmatige werkwoorden op -AR TB p.12
persoonlijke vn.
estudiar
1. estudio
2. estudias
3. estudia
1. estudiamos
2. estudiáis
3. estudian
1. ik
2. jij
3. hij, zij, u
1. wij
2. jullie
3. zij, u
1. yo
2. tú
3. él, ella, usted
1. nosotros/as
2. vosotros/as
3. ellos, ellas, ustedes
hablar
1. habl-
2. habl-
3. habl-
1. habl-
2. habl-
3. habl-
.
Slide 6 - Tekstslide
Dobbelsteen spel:
gooi een dobbelsteen en vervoeg het werkwoord en de persoon die de tweede dobbelsteen aangeeft:
* Yo
**tú
***él, ella, usted
****nosotros/ as
*****vosotros/as
******ellos/as, ustedes
* trabajar
**viajar/ visitar
***pasar las vacaciones en..
****hablar con...
*****estudiar en....
******comprar / cantar
Slide 7 - Tekstslide
Vul de juiste vorm in van het werkwoord:
* María y yo _____________ español para viajar a Latinoamérica.
A
estudio
B
estudias
C
estudiáis
D
estudiamos
Slide 8 - Quizvraag
Vul de juiste vorm in van het werkwoord:
* María _____________ las vacaciones en Málaga.
A
paso
B
pasa
C
pasas
D
pasan
Slide 9 - Quizvraag
Vul de juiste vorm in van het werkwoord:
* Luisa y tú _____________ de cosas interesantes.
A
habla
B
hablamos
C
habláis
D
hablan
Slide 10 - Quizvraag
Tú ( estudiar)
A
estudiamos
B
estudiáis
C
estudias
D
estudie
Slide 11 - Quizvraag
Juan y Pedro (hablar)
A
hablamos
B
hablan
C
habláis
D
hablas
Slide 12 - Quizvraag
Palabras con historia p.14
Tekst lezen : 9a
Welk woordje staat vóór...: palabras/ hospital/ fábrica/ universidad?
Zie je dat woordje met andere woorden?: noteer zoveel woorden mogelijk.
Slide 13 - Tekstslide
¿Qué significa? p.14
9b ¿Qué significa...? - ... significa ...
¿"Taza" significa "kopje"? - Sí, "taza" significa "kopje".
¿"Taza" significa "olie"? - No, "taza" significa "kopje".
¿"Taza" significa "kopje"? - No sé.
el aceite
olie
la naranja
de sinaasappel
el arroz
de rijst
la fruta
het fruit
la jirafa
de giraffe
Slide 14 - Tekstslide
TB. p.15, oef.10 El artículo determinado ( Lidwoord van bepaalheid)
singular y plural (enkelvoud en meervoud)
Mannelijke woorden eindigen meestal op - o.
Vrouwelijke woorden eindigen meestal op -a evenals woorden op -ción en -dad
Zelfstandige naamwoorden op -e of medeklinker kunnen mannelijke of vrouwelijk zijn.
Wij gebruiken cookies om jouw gebruikerservaring te verbeteren en persoonlijke content aan te bieden. Door gebruik te maken van LessonUp ga je akkoord met ons cookiebeleid.