Hst 5 bewegen

Hoofdstuk 5. Bewegen
1 / 44
volgende
Slide 1: Tekstslide
NaskMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 44 slides, met tekstslides en 4 videos.

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 5. Bewegen

Slide 1 - Tekstslide

Hoofdstuk 5. Bewegen
5.1 Bewegingen vastleggen
Doelen

Aan het einde van de les kan ik:
- vertellen op welke twee manieren je een beweging kunt vastleggen
- uitleggen hoe een stroboscopische foto gemaakt wordt en wat daar voor nodig is



Slide 2 - Tekstslide

Hoofdstuk 5. Bewegen
5.1 Bewegingen vastleggen
Bewegingen
Je kun een beweging vastleggen op twee manieren:





  1. Op welke manier kun je nauwkeuriger iets zeggen over de snelheid van het bewegende voorwerp?
Beweging vastleggen
Door het bewegende voorwerp te filmen met een videocamera/telefoon
Beweging vastleggen
2. Door een stroboscopische foto te maken

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Video

Hoofdstuk 5. Bewegen
5.1 Bewegingen vastleggen
Met stroboscopische foto's  kun je beweging nauwkeurig vastleggen

Slide 5 - Tekstslide

Een afstand-tijdtabel en plaats-tijddiagram maken
Met de stroboscopische foto kun je een  afstand-tijdtabel  maken.
  1.  Je moet dan wel weten hoeveel tijd er tussen de lichtflitsen zit én 
  2. hoe groot de afstanden op de foto in werkelijkheid zijn.
  3. noteer de gegevens in je  afstands-tijdtabel 
  4. maak daarna eventueel een plaats-tijddiagram, (x,t)-diagram.

Slide 6 - Tekstslide

Hoe teken je een grafiek/diagram?
  1.  Met potlood en geodriehoek.
  2. x-as = horizontaal (is bij Nask vaak de tijd )
  3. y-as = verticaal (de andere grootheid)
  4. Logische schaalverdeling op beide assen 
  5. Assen benoemen: grootheid MET eenheid!
  6. Plaats stipjes per meetpunt.
  7. Trek een vloeiende lijn door of langs de meetpunten.
  8. Punten die duidelijk afwijken zijn waarschijnlijk meetfouten en sla je over.

Slide 7 - Tekstslide

Grootheden en eenheden



  • Tijd: t in s
  • Afstand: s in m
  • Snelheid: v in m/s of km/h
Grootheid = wat je meet
Eenheid = waarin je de meting uitdrukt/geeft aan over welke grootheid het gaat

Slide 8 - Tekstslide

Hoofdstuk 5. Bewegen
5.2 
Vragen hw?
Doelen

Aan het einde van de les kan ik:
- de gemiddelde snelheid berekenen met behulp van een formule
- kun je de snelheid van m/s omrekenen naar km/h en andersom
- uitleggen  wat het verschil is tussen een constante en gemiddelde snelheid



Slide 9 - Tekstslide

Hoofdstuk 5. Bewegen

progr 13 maart practicum hardlopen groepscijfer (incl inzet/gedrag)
  • uitdelen opdr groepjes van 4 (evt een groepje van 3)  
  • straks rustig naar buiten, nergens aanzitten, niet gillen (kortom "normaal" gedragen ;)
  • pen, kladpapier en 2 stopwatches per groep mee naar buiten
  • A rent heen en terug, B (bij keerpunt) meet alleen heentijd, C (bij finish) meet hele tijd, daarna wisselen C rent en A staat bij finish en als laatste B rennen waarbij A bij keerpunt tijd meet. 
  • terug naar lokaal, rekenen en beantwoorden vragen
  • inleveren bij mij of TOA
  • hw: Leren en afmaken + nakijken/verbeteren 5.2

Slide 10 - Tekstslide

5.2 Constante snelheid en gemiddelde
Constante snelheid
  • Bij constante snelheid is de snelheid op elk moment even groot

Slide 11 - Tekstslide

Gemiddelde snelheid
Weinig dingen bewegen continu even snel  (zie deze  snelheid-tijd grafiek) 
 A = auto trekt op, de snelheid wordt
steeds groter.
 B = de auto rijdt op cruise control,
de snelheid blijft een tijdje constant
C = hij remt voor het stoplicht, de snelheid
wordt snel kleiner, totdat hij stilstaat.






Slide 12 - Tekstslide

Omrekenen per grootheid
afstand -->   1 km = 1000 m
tijd -->  1 uur = 3600 s   
snelheid -->  m/s x 3,6 = km/h

Slide 13 - Tekstslide

4.2 Snelheid berekenen
Eenheden voor snelheid
  • In verkeer eenheid km/h
  • In natuurkunde eenheid m/s
Blz. 170

Slide 14 - Tekstslide

4.2 Snelheid berekenen
Gemiddelde snelheid berekenen
  • In verkeer eenheid km/h
  • In natuurkunde eenheid m/s
Blz. 170

Slide 15 - Tekstslide

Aan de slag: 
hw: leren en maken 5.1 opg 8 en 5.2 maken 1 t/m 6 inclusief nakijken én verbeteren

Slide 16 - Tekstslide

Rekenvoorbeeld
Een atleet loopt 100 meter in 10,8 seconden, bereken 
zijn gemiddelde snelheid

Slide 17 - Tekstslide

Rekenvoorbeeld
Een atleet loopt 100 meter in 10,8 seconden, bereken
zijn gemiddelde snelheid.

Gegeven:

Slide 18 - Tekstslide

Rekenvoorbeeld
Een atleet loopt 100 meter in 10,8 seconden, bereken zijn gemiddelde snelheid.

Gegeven: afstand = 100 mtijd = 10,8 s
 

Slide 19 - Tekstslide

Rekenvoorbeeld
Een atleet loopt 100 meter in 10,8 seconden, bereken zijn gemiddelde snelheid.

Gegeven: afstand = 100 mtijd = 10,8 s
Gevraagd: 

Slide 20 - Tekstslide

Rekenvoorbeeld
Een atleet loopt 100 meter in 10,8 seconden, bereken zijn gemiddelde snelheid.

Gegeven: afstand = 100 mtijd = 10,8 s
Gevraagd: gemiddelde snelheid = ?

Slide 21 - Tekstslide

Rekenvoorbeeld
Een atleet loopt 100 meter in 10,8 seconden, bereken zijn gemiddelde snelheid.

Gegeven: afstand = 100 mtijd = 10,8 s
Gevraagd: gemiddelde snelheid = ?
Formule: 

Slide 22 - Tekstslide

Rekenvoorbeeld
Een atleet loopt 100 meter in 10,8 seconden, bereken zijn gemiddelde snelheid.

Gegeven: afstand = 100 mtijd = 10,8 s
Gevraagd: gemiddelde snelheid = ?
Formule: gemiddelde snelheid = afstand : tijd

Slide 23 - Tekstslide

Rekenvoorbeeld
Een atleet loopt 100 meter in 10,8 seconden, bereken zijn gemiddelde snelheid.

Gegeven: afstand = 100 mtijd = 10,8 s
Gevraagd: gemiddelde snelheid = ?
Formule: gemiddelde snelheid = afstand : tijd
Berekening:

Slide 24 - Tekstslide

Hoofdstuk 5. Bewegen

progr 17 maart 
  • goed gewerkt vorige les, fijn deze keer alleen maar voldoendes voor pract 
  • cijfers practicum ga ik voorlopig allemaal in periode 2 noteren met weging 0 
  • 4 llń inhalen, dat doe je samen ivm groepscijfer
  • vragen hw 5.1 en 5.2  (na zelf nakijken)? 
  • kort herhaling par 5.2 via o.l.g en uitleg 5.3
  • hw: Leren en afmaken + nakijken/verbeteren 5.3? 

Slide 25 - Tekstslide

5.3 beweging zelden met constante snelheid
  • je rijdt zelden met een constante snelheid
    = eenparige beweging. 
  • Bij wegrijden geldt v= 0 m/s, daarna neemt je snelheid toe (=  een versnelde beweging), je legt per seconde steeds meer meters af.
  • Bij afremmen wordt je snelheid steeds kleiner(= vertraagde beweging) je legt per seconde steeds minder meters af.
  • Deze gegevens kun je in een afstands-tijd grafiek weergeven.

Slide 26 - Tekstslide

Afstand-tijd tabel             en  
Afstand-tijd diagram
Tijd (s)
afstand (cm)
o
o
0,5
3
1,0
10
1,5
20
2,0
35
2,5
55
3,0
80

Slide 27 - Tekstslide

5.3 eenparige beweging v = constant
           


  • afgelegde afstand neemt toe
  • snelheid blijft constant 
      v-t diagram               en                    s-t diagram 

Slide 28 - Tekstslide

 A = snelheid wordt steeds groter. Object stond in het begin volledig stil

B = snelheid blijft constant

C = snelheid wordt steeds kleiner
afstand - tijd grafiek gemengde beweging 

Slide 29 - Tekstslide

Aan de slag: 
hw: Leren en afmaken + nakijken/verbeteren 5.3

Slide 30 - Tekstslide

5.4 remmen en botsen

Slide 31 - Tekstslide

leerdoelen 5.4
-Verband leggen tussen de reactie afstand en de reactietijd.
-Verband leggen tussen snelheid, stopafstand, remweg en reactie afstand.
-Uitleggen dat de remweg afhankelijk is van de ondergrond en de kwaliteit van de banden.
-Verschillende veiligheidsmaatregelingen noemen in een auto.

 

 


Slide 32 - Tekstslide

Instapvragen over oversteken weg
  • Waar steek je liever de weg over? Op de snelweg of in de bebouwde kom?
  • Waarom? 
  • Hoe steek je liever de weg over? Lopend of op krukken?
  • Wie heeft een langere remweg iemand die een vrachtwagen bestuurt of iemand in een fiat panda?

Slide 33 - Tekstslide

Stopafstand afhankelijk van:
  • reactietijd=de tijd tussen het zien en het daadwerkelijk afremmen
  • tijdens de reactietijd rijdt de auto dus nog met dezelfde snelheid door, deze is van een aantal factoren afhankelijk (volgende slide)
  • reactieafstand = de afstand die een voertuig aflegt in de reactietijd
  • de remweg is o.a afhankelijk van de beginsnelheid, maar ook van de weerstand tussen banden en wegdek en de massa van het voertuig
  • stopafstand = remweg + reactieafstand

Slide 34 - Tekstslide

Stopafstand = Remweg + Reactieafstand

Slide 35 - Tekstslide

Factoren die reactietijd beïnvloeden
reactietijd: tijd die het kost om te reageren

Invloeden op reactietijd:
  • medicijnen
  • alcohol
  • drugs
  • vermoeidheid
  • afleiding

Slide 36 - Tekstslide

remmen en botsen
  • remweg= afgelegde afstand vanaf indrukken rem tot stilstaan
  • de remweg is dus afhankelijk van begin-
    snelheid= snelheid van het voertuig op t=0
  • verband tussen beginsnelheid en remweg:
    beginsnelheid n x  zo groot dan is remweg
    n2 keer zo groot.

Slide 37 - Tekstslide

remmen en botsen: traagheid
  • het kost meer tijd om een zwaardere massa af te laten remmen dan om een lichtere massa die evensnel beweegt af te remmen. 
  • dit principe noem je traagheid

Slide 38 - Tekstslide

Dus: 
Remweg afhankelijk van:
  • Snelheid: hoe sneller hoe langer de remweg
  • Reactietijd
  • Remkracht: hoe krachtiger je remt hoe korter de remweg

Andere Invloeden:
Soort wegdek en toestand
Bandenprofiel
Gewicht van het voertuig

Slide 39 - Tekstslide

Aan de slag: 
hw: leren en maken 5.4 t/m opg 8  inclusief nakijken én verbeteren

Slide 40 - Tekstslide

programma 3 april 
Hoe kun je aan een grafiek zien dat mensen elkaar voorbijrijden (als ze zelfde route afleggen) ?=  5.3 opg 9 ? + 10 
  • bespreken van 5.4 opg 6 en? 
  • nog meer vragen over theorie of opdrachten? 
  • geen vragen?  dan verder met test jezelf 5.2 t/m 5.4 is hw voor volgende week.
  • Toets hst 5 op 10 april

Slide 41 - Tekstslide

Slide 42 - Video

Slide 43 - Video

Slide 44 - Video