3.1 B: De kunst van kopen GT/TH: Winkelen

Paragraaf 3.1 

B: De kunst van kopen 

GT/TH: Winkelen
1 / 14
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvmbo gLeerjaar 2

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 40 min

Onderdelen in deze les

Paragraaf 3.1 

B: De kunst van kopen 

GT/TH: Winkelen

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoel
Ik kan uitleggen waarmee je rekening moet houden bij het openen van een winkel.

Slide 2 - Tekstslide

Marketing
Marketing: alle activiteiten van een bedrijf om zoveel mogelijk te verkopen.

Slide 3 - Tekstslide

Hoe kan een winkelier ervoor zorgen dat iemand iets bij hem/haar koopt?

Slide 4 - Open vraag

Slide 5 - Video

Even Apeldoorn bellen!
Promotiebeleid: je winkel positief onder de aandacht brengen bij klanten. Bijvoorbeeld door reclame te maken.

Slide 6 - Tekstslide

Doelgroep
Een doelgroep is een groep mensen met bijvoorbeeld dezelfde leeftijd, hetzelfde geslacht, een bepaald inkomen of dezelfde interesses.

Slide 7 - Tekstslide

Wat kan een winkelier doen aan de prijs?
Prijsbeleid: sommige artikelen een hele lage prijs geven of een prijs die net onder een  mooi rond getal ligt. Bij een goed prijsbeleid gaat de verkoop omhoog.

Slide 8 - Tekstslide

Is personeel belangrijk?
Personeelsbeleid: hoe vriendelijk is het personeel, hoeveel kennis van de producten hebben zij en kunnen zij de klant adviseren.

Slide 9 - Tekstslide

Product: Wat is het verschil tussen bv. een Aldi en een AH?

Productbeleid: ruime keuze uit veelgevraagde artikelen.
Verpakkingen kiezen die in de smaak vallen bij de klant.

Slide 10 - Tekstslide

Plaats

Waar gaat een supermarkt zich vestigen?

Waar gaat een meubelzaak zich vestigen?

Plaatsbeleid:

Wil je een winkel in een drukbezocht centrum? Of is een mindere dure plek ook goed?
En/of ga je online je producten verkopen?

Slide 11 - Tekstslide

Procenten omrekenen
Je koop een nieuwe controller, deze kost 50 euro. Je krijgt 10% korting, wat moet je betalen?

Slide 12 - Open vraag

Je koopt een nieuwe jas. Deze kost 120 euro. Je krijgt 25% korting.
Hoeveel moet je voor de jas betalen?

Slide 13 - Open vraag

Aan het werk!!
Jullie gaan paragraaf 3.1 lezen en maken!

Succes!!

Slide 14 - Tekstslide