Je kunt uitleggen wat een biologisch evenwicht is.
Je kunt uitleggen hoe soorten afhankelijk zijn van elkaar voor voedsel, een schuilplaats en voortplanting.
Je kunt de begrippen commensalisme, mutualisme en parasitisme toepassen binnen een context (stuk tekst).
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2,3
In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.
Lesduur is: 45 min
Onderdelen in deze les
6.3 Samenleven
Leerdoelen:
Je kunt uitleggen wat een biologisch evenwicht is.
Je kunt uitleggen hoe soorten afhankelijk zijn van elkaar voor voedsel, een schuilplaats en voortplanting.
Je kunt de begrippen commensalisme, mutualisme en parasitisme toepassen binnen een context (stuk tekst).
Slide 1 - Tekstslide
Slide 2 - Video
Samenleven - INTRASPECIFIEK
Relaties in en tussen populaties:
- Concurrentie:
competitie partner, plek voedsel
- Samenwerken/ afspraken maken:
jagen (leeuwen), verdedigen (vissen)
mieren (taakverdeling kolonie).
Stokstaartje houdt de wacht
Slide 3 - Tekstslide
Relaties binnen populatie
Rangorde: Eén dier is dan de baas.
Territorium: Gebied waar één dier leeft, of een groep dieren van dezelfde soort. Andere soortgenoten mogen er niet in.
Paarvorming: Mannetje en een vrouwtje werken samen om zich voort te planten.
Olifanten leven in matriarchale groepen, bestaande uit enkele volwassen koeien met hun kalveren. Volwassen bullen leven voornamelijk solitair en voegen zich alleen bij de groep om met geslachtsrijpe koeien te paren.
Slide 4 - Tekstslide
Relaties binnen populatie
- Rangorde
- Territorium
- Paarvorming
Bij sommige soorten vindt elk jaar opnieuw paarvorming plaats maar bij knobbelzwanen blijven man en vrouw hun hele leven bij elkaar.
Slide 5 - Tekstslide
Samenleven - INTERSPECIFIEK
eerst een filmpje......
Slide 6 - Tekstslide
Slide 7 - Video
De larve van de nachtvlinder heeft een groot aantal bacteriën in zijn verteringskanaal. Deze bacteriën spelen een belangrijke rol bij de vertering van het voedsel van de larven. Met welke biologische term wordt de relatie tussen de larve en de bacteriën aangeduid?
Slide 8 - Open vraag
MUTUALISME
Relatie waarbij beide soorten voordeel hebben ( win win)
Slide 9 - Tekstslide
COMMENSALISME
Relatie waarbij één soort voordeel heeft en de andere soort geen voordeel, maar ook geen nadeel
Slide 10 - Tekstslide
PARASITISME
Parasiet - Gastheer
Teek
Zombieschimmel
Warkruid (geen bladgroen)
Slide 11 - Tekstslide
Slide 12 - Video
In de vacht van vossen leven vlooien die bloed uit de huid opzuigen. Verder komen in de vacht van vossen ook bacteriën voor die van dode huidcellen leven. Hoe noemen we de symbiose tussen de vlooien en de vos?
A
Commensalisme
B
Mutualisme
C
Parasitisme
D
Voedselrelatie (predatie)
Slide 13 - Quizvraag
In de vacht van vossen leven vlooien die bloed uit de huid opzuigen. Verder komen in de vacht van vossen ook bacteriën voor die van dode huidcellen leven. Hoe noemen we de symbiose tussen de bacteriën en de vos?
A
Commensalisme
B
Mutualisme
C
Parasitisme
D
Voedselrelatie (predatie)
Slide 14 - Quizvraag
Korstmos is vaak de eerste vegetatie op rotsen. Door de aanwezigheid van de korstmossen veranderen abiotische factoren, waardoor na verloop van tijd planten kunnen groeien.
Noteer twee abiotische factoren die door de korstmossen gunstiger worden voor plantengroei.
A
Vocht en temperatuur
B
Algen en vocht
C
Licht en temperatuur
D
Algen en licht
Slide 15 - Quizvraag
Hoe komt de stikstof in planten terecht?
A
Bladeren van planten nemen stikstofgas uit de lucht op.
B
Bladeren van planten nemen stikstofzouten op.
C
Wortels van planten nemen stikstofgas uit de lucht op.
D
Wortels van planten nemen stikstofzouten op.
Slide 16 - Quizvraag
Laatste vraag
Slide 17 - Tekstslide
Samenleven
Neem de tekst en de schema's over in je schrift
Biologisch evenwicht: de populatiegrootte schommelt door de jaren heen om een evenwichtswaarde
Slide 18 - Tekstslide
HUISWERK
Leer paragraaf 6.3 + aantekeningen
en maak opdracht 1 t/m 11
Slide 19 - Tekstslide
Afsluiting
1. Waarom is de predator-prooirelatie belangrijk?
2. Wat zijn de 3 interspecifieke relaties?
3. Wat is het verschil tussen inter- en intraspecifieke relaties?
4. Wat is symbiose?
5. Wat is biologisch evenwicht?
6. Wat is commensalisme?
Slide 20 - Tekstslide
Vraag 1a: Welke 2 stoffen heeft de plant nodig om de stoffen te maken waar hij zelf uit bestaat?
A
Water en glucose
B
Water en zuurstof
C
Water en koolstofdioxide
D
Glucose en zuurstof
Slide 21 - Quizvraag
Vraag 1c: Wat zijn reducenten?
A
Afvaleters
B
Planten
C
Dieren
D
Bacteriën en schimmels
Slide 22 - Quizvraag
Vraag 2a: Wat hoort NIET bij een autotroof organisme?
A
Het is een plant
B
Het heeft andere organismen nodig voor voedsel
C
Het doet aan verbranding
D
Het doet aan fotosynthese
Slide 23 - Quizvraag
Vraag 2d: Heterotrofe organismen nemen...
A
Alleen energierijke stoffen op uit het milieu
B
Alleen energiearme stoffen op uit het milieu
C
Zowel energierijke als energiearme stoffen op uit het milieu
D
Geen stoffen op uit het milieu
Slide 24 - Quizvraag
Opdracht 2e: Autotrofe of heterotrofe organismen? 1. Is er bladgroen aanwezig? 2. Vindt er fotosynthese plaats? 3. Vindt er verbranding plaats
A
1. autotroof
2. autotroof
3.heterotroof
B
1. heterotroof
2. autotroof
3.beide
C
1. autotroof
2. autotroof
3.beide
D
1. autotroof
2. heterotroof
3. autotroof
Slide 25 - Quizvraag
Opdracht 3a: Zet de gebeurtenissen in de juiste volgorde. VAN BOVEN NAAR BENEDEN=VAN LINKS NAAR RECHTS
A
9, 8, 2, 7, 6, 1, 4, 3, 5
B
8, 9, 7, 2, 6, 1, 3, 5, 4
C
7, 2, 6, 8, 9, 1, 3, 5, 4
D
2, 7, 8, 6, 9, 1, 4, 3, 5
Slide 26 - Quizvraag
Opdracht 3b: Wat staat er op plek 1 en plek 2?
A
1: verbranding
2: fotosynthese
B
1: glucose
2: CO2
C
1: glucose
2: verbranding
D
1: fotosynthese
2: verbranding
Slide 27 - Quizvraag
Opdracht 4a: In welke stof komt stikstof voor in organismen?
A
Glucose
B
Koolhydraten
C
Eiwitten
D
Vetten
Slide 28 - Quizvraag
Opdracht 4d: Zet de gebeurtenissen in de juiste volgorde. VAN BOVEN NAAR BENEDEN=VAN LINKS NAAR RECHTS
A
5, 7, 6, 4, 8, 1, 2
B
7, 5, 4, 6, 3, 2, 1, 8
C
4, 6, 3, 2, 7, 5, 1, 8
D
6, 4, 5, 7, 8, 1, 2
Slide 29 - Quizvraag
Opdracht 6a: Wat staat er in de vakken?
A
1: reducent
2: consument 1e orde
3: consument 2e orde
4: producent
B
1: producent
2: consument 2e orde
3: consument 1e orde
4: reducent
C
1: producent
2: reducent
3: consument 1e orde
4: consument 2e orde
D
1: producent
2: consument 1e orde
3: consument 2e orde
4: reducent
Slide 30 - Quizvraag
Opdracht 8a: Welke pijl stelt fotosynthese voor?
A
P
B
Q
C
S
D
T
Slide 31 - Quizvraag
Vraag 9a: In plastic zit koolstof. Leg uit dat plastic toch geen deel uitmaakt van de koolstofkringloop.
A
Plastic komt niet in het maag/darmstelsel van de consumenten en zodoende
dus niet in de kringloop.
B
Plastic wordt wel onbedoeld gegeten en dan ook weer uitgepoept door de consumenten. Maar de reducenten "eten" deze
poep/meststof niet.
C
Plastic is niet biologisch afbreekbaar; de koolstof komt daardoor niet terug in de kringloop. Koolstof blijft in het plastic zitten.
D
Plastic wordt alleen gegeten door zeedieren en vogels en die consumenten horen niet bij de koolstofkringloop.