Onderzoeksvaardigheden

Onderzoeks-
vaardigheden
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 24 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Onderzoeks-
vaardigheden

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Wat moet je kunnen voor het examen?
  • Een hypothese en onderzoeksvraag kunnen opstellen
  • Een onderzoeksplan kunnen maken (= werkplan of onderzoeksopzet)
  • De resultaten kunnen weergeven (grafiek, staafdiagram of tabel maken)
  • Een conclusie kunnen trekken
  • Een uitspraak kunnen doen over de betrouwbaarheid en validiteit van je onderzoek

Slide 3 - Tekstslide

Onderzoeksvraag + hypothese
Aan welke voorwaarden moet een goede onderzoeksvraag voldoen?
  • Open vraag
  • Welke factor je gaat onderzoeken
  • Wat je gaat meten
  • Bij welk organisme
  • Eindigt met een vraagteken

Wat is een hypothese?
Een verwacht antwoord op de onderzoeksvraag.


Slide 4 - Tekstslide

hypothese
Wat is een hypothese?
Een verwacht antwoord op de onderzoeksvraag.
Noteer met het resultaat wat je verwacht.

Formulering: als.. dan..

Voorbeeld: Als de zaadjes zonder licht ontkiemen, dan zullen ze kleiner zijn dan de zaden die in het licht ontkiemen.


Slide 5 - Tekstslide

Noteer de onderzoeksvraag bij dit onderzoek.
of:
Als de lichtintensiteit toeneemt, dan zal de lengtegroei van alfafa afnemen.

Slide 6 - Tekstslide

Noteer de onderzoeksvraag bij dit onderzoek.
of:
Als de lichtintensiteit toeneemt, dan zal de lengtegroei van alfafa afnemen.
Onderzoeksvraag:
Wat is de invloed van 
de lichtintensiteit op 
de lengtegroei van alfalfa?

Slide 7 - Tekstslide

Werkplan = onderzoeksopzet
Een werkplan bevat de volgende punten: 
  • Experimenteergroep én controlegroep  (veel individuen)
  • Eén factor verschilt (kan wel in verschillende mate)
  • Alle andere omstandigheden zijn gelijk!
  • Wat ga je meten?
  • De resultaten worden gemeten en vergeleken!

Slide 8 - Tekstslide

Maak een werkplan/onderzoeksopzet
Je wilt het effect van de kleur licht op de opbrengst van tomatenplanten onderzoeken.

Slide 9 - Tekstslide

Maak een werkplan/onderzoeksopzet
Je wilt het effect van de kleur licht op de opbrengst van tomatenplanten onderzoeken.

1. Maak 5 groepen met in elke groep 10 zaadjes. 
2. De zaadjes worden in een kas opgekweekt, waarbij bij elke groep de 
    kleur licht anders is. Groep 1 krijgt geel licht, groep 2 krijgt rood licht, 
    groep 3 krijgt groen licht, groep 4 krijgt blauw licht en groep 5 krijgt wit 
    licht en is de controlegroep. Alle andere omstandigheden blijven gelijk.
3. Na enkele weken wordt bij elke plant het aantal tomaten geteld. Per groep wordt het    
    gemiddelde berekend en de groepen worden met elkaar vergeleken
In examens levert dit soort vragen vaak 3 punten op, wat meestal ongeveer 0,5 van je cijfer is. 

Slide 10 - Tekstslide

Weten is goed, toepassen is beter 😀
Uit dit stukje van RTL nieuws blijkt dat "een plant rood licht nodig heeft om te groeien, en blauw licht om hem compact te houden". Met compact houden wordt bedoeld dat de bloeiende planten minder vertakking en strekking vertoont. Hierdoor krijgen de planten minder takken en bladeren.
Leg uit dat telers gebruik maken van de combinatie van rood en blauw licht in de kassen.

Slide 11 - Tekstslide

Weten is goed, toepassen is beter 😀
Uit dit stukje van RTL nieuws blijkt dat "een plant rood licht nodig heeft om te groeien, en blauw licht om hem compact te houden". Met compact houden wordt bedoeld dat de bloeiende planten minder vertakking en strekking vertoont. Hierdoor krijgen de planten minder takken en bladeren.
Leg uit dat telers gebruik maken van de combinatie van rood en blauw licht in de kassen.
Alle energie uit het rode licht wordt geabsorbeerd en gebruikt voor de fotosynthese, waardoor de plant beter kan groeien en dus meer opbrengt.
Het blauwe licht zorgt ervoor dat er minder vertakkingen zijn en meer energie gebruikt kan worden voor vorming van vruchten, waardoor er meer opbrengst is. 

Slide 12 - Tekstslide

Resultaten
De resultaten zet je in een tabel, grafiek of staafdiagram

Slide 13 - Tekstslide

Conclusie
Als je iets ontdekt hebt dan trek je de conclusie.

De conclusie van het onderzoek is dan ook het antwoord op de onderzoeksvraag

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Validiteit en betrouwbaarheid
Betrouwbaar: als je het onderzoek met een willekeurige groep herhaalt, krijg je dan dezelfde uitkomsten? 

Valide: heb je onderzocht wat je wilde onderzoeken? Was de gebruikte methode correct? Is de manier waarop ik mijn onderzoek heb uitgevoerd, ook werkelijk de beste manier om mijn onderzoeksvraag te beantwoorden?


--> Waarborgen kwaliteit van je onderzoek!

Slide 16 - Tekstslide

Betrouwbaar?
Krijg je dezelfde resultaten als je het onderzoek nogmaals uitvoert met een andere groep testobjecten?


Stel: je doet een onderzoek naar het eetpatroon van vegetariërs in Nederland. Je besluit om een enquête uit te zetten en gebruikt hiervoor social media. Je merkt dat aan jouw oproep om mee te doen aan de enquête, vooral medestudenten (uit jouw studentenstad) gehoor geven. Maar is dat wel betrouwbaar?

Slide 17 - Tekstslide

Betrouwbaarheid
De onderzoeker/onderzoeksmethode zorgt voor zo min mogelijk spreiding door toevallige fouten.
Het onderzoek is reproduceerbaar:
Bij herhaalde metingen/uitvoeringen zou er hetzelfde antwoord uit moeten komen. 

Om de betrouwbaarheid van je onderzoek te bepalen beantwoord je de vraag: “Als ik hetzelfde nog een keer zo zou onderzoeken en de omstandigheden zijn niet veranderd, krijg ik dan dezelfde uitslag?” 

Slide 18 - Tekstslide

Valide?
  • Het belangrijkste is dat je methode en resultaten een antwoord kunnen geven op je onderzoeksvraag.
  • Zorg dat je 1 factor meet en verandert. 
  • Meet je wat je wil meten? Als je wil weten wat een koe gemiddeld aan gras eet, ga je niet hun pootlengte opmeten.
  • Niet valide: vragenlijst opstellen met vragen waarvan je weet dat mensen deze niet altijd eerlijk zullen beantwoorden (b.v. toegeven of je bijvoorbeeld wel eens door rood fietst).

Slide 19 - Tekstslide

Validiteit
Validiteit is de mate waarin je resultaten geldig zijn en overeenkomen met de werkelijkheid. 
De validiteit kan worden onderzocht door te bepalen of je daadwerkelijk hebt gemeten wat je wilde meten, bijvoorbeeld door kritisch te kijken naar je onderzoeksopzet en meetinstrumenten.

Om de validiteit van je onderzoek vast te stellen geef je antwoord op de vraag: “Is de manier waarop ik mijn onderzoek heb uitgevoerd, ook werkelijk de beste manier om mijn onderzoeksvraag te beantwoorden?”​

Slide 20 - Tekstslide

Is dit onderzoek betrouwbaar/valide? 
Een onderzoekster wil weten hoe vaak mensen rommel op straat gooien. Ze benadert daartoe op een drukke zaterdagmiddag in een winkelcentrum rechtstreeks een aantal respondenten met de vraag of zij zich hieraan weleens schuldig maken. De vraag leidt telkens tot hetzelfde antwoord: de overgrote meerderheid van de respondenten zegt dit niet te doen. Toch blijkt aan het einde van de middag de straat vol te liggen met kauwgomresten, papiertjes, stokjes, blikjes en plastic bekers. De respondenten hebben slechts sociaal wenselijke antwoorden gegeven toen ze op de man af de vraag werd gesteld. 

Slide 21 - Tekstslide

Voorbeeld
  • Wel betrouwbaar
  • Niet valide

De kans is groot dat de enquête, wanneer deze werd herhaald, opnieuw tot dezelfde resultaten zou leiden --> in die zin is het een betrouwbaar instrument. 
Maar het onderzoek is niet valide, omdat het geen antwoord geeft op de gestelde onderzoeksvraag.​

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Tekstslide

B
Betrouwbaarheid --> je moet 
voldoende proefpersonen hebben 
voor een betrouwbaar onderzoek. 
Dit aantal kan dan ook gebruikt 
worden bij een herhaling van het
onderzoek.

Validiteit --> zonder controleproef 
weet je niet zeker of je 
daadwerkelijk gemeten hebt wat 
je wilt meten. 

Slide 24 - Tekstslide