Grammar A1/A2 FIX les 1

Grammar A1 /A2 FIX les 1
1 / 50
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 50 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 5 videos.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Grammar A1 /A2 FIX les 1

Slide 1 - Tekstslide

Welcome dear students
For today:
- Alphabet
- Nouns => Abstract & concrete nouns
- Articles
- Plurals


Slide 2 - Tekstslide

Scores instaptoets Grammar 1A
A1:
- Fenne
- Lennon
- Lars
- Merel

A2: 
- Jayden

A2/B1:
- Kate
- Storm

B1:
- Sem
- Job
- Vince
- Loïs
- Milan
- Cas 

Inhalen:
- Jesse
- Rens

Slide 3 - Tekstslide

Scores instaptoets  Grammar 1B

A1:
- Wesley
- Lynn
- Fedde
- Lotte
- Pleun
- Thije
- Brent
- Britt

A2:
- Abbe
- Froukje




A2/B1:
- Ruth
- Rikke
- Karlijn

B1:
- Tjaard                           
- Koen
- Harm
- Suus
- Zeb
- Floris
- Ruben

Inhalen: 
- Stijn
- Thom 







Lynn
Koen



Slide 4 - Tekstslide

Scores instaptoets Grammar 1C
A1
- Noud
- Jens
- Thomas
- Thijn
- Nowi
- Suze
- Niek
- Bart
- Guus

A2/B1:
- Damian



B1:
- Dion
- Daniël
- Steve
- Seppe
- Xhen
- Tim


Inhalen:
- Maik
- Levi
- Jasper

Slide 5 - Tekstslide

Scores instaptoets Grammar 1D
A1:
- Jochem
- Justus
- Len

A2:
- Justin
- Vince
- Manasseh

A2/B1:
-Laurens
- Milan
- Savan
B1:
- Ramon
- Thomas
- Imme
- Fedde M
- Sepp
- Lynn

Inhalen:
- Fedde L
- Twan

Slide 6 - Tekstslide

Scores instaptoets Grammar 1E
A1:
- Romy
- Sem
- Kas K.
- Noa
- Cas L.
- Jorrit
- Resa
- Ruben

A2:
- Joël





B1:
- Kick
- Jip
- Cas K.
- Timo
- Levi

Inhalen:
- Jimi
- Tygo
- Lilian
- Manoah





Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

alphabet
Verwarrende letters:

Nederlands
Engelse uitspraak
A
EE
E
IE
I
AAI
H
EETSJ
W
DABBEL JUU
Y
WAAI

Slide 9 - Tekstslide

0

Slide 10 - Video

Welk woord wordt gespeld?

Slide 11 - Open vraag

1

Slide 12 - Video

Welk woord werd gespeld?

Slide 13 - Open vraag

1

Slide 14 - Video

Welk woord werd gespeld?

Slide 15 - Open vraag

Slide 16 - Video

Welk woord wordt gespeld?

Slide 17 - Open vraag

concrete and abstract   nouns          
A concrete noun refers to a physical object in the                            
 real world, such as a dog, a ball, or an ice cream                               
   cone. 
An abstract noun refers to an idea or concept that                     
 does not exist in the real world and cannot be                           touched, like freedom, sadness, or 
permission.

Slide 18 - Tekstslide

Concrete nouns

Slide 19 - Tekstslide

Abstract nouns

Slide 20 - Tekstslide

What type of noun is bag
A
Concrete
B
Abstract

Slide 21 - Quizvraag

What type of noun are "hate" and "jealousy"?
A
Concrete
B
Abstract

Slide 22 - Quizvraag

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide

An
An
An
A
A

Slide 25 - Sleepvraag

Slide 26 - Tekstslide

the
x
He was taken to ... hospital.
They built ... hospital in 2019.
I love ... summer.
Back in ... summer of '69.
They sometimes skip ... breakfast :O!
... breakfast you had this morning looked good.

Slide 27 - Sleepvraag

He is .......... actor.

Slide 28 - Open vraag

She wants to be ............. president of the USA next year.

Slide 29 - Open vraag

Without ........... trace

Slide 30 - Open vraag

To be in ......... hurry

Slide 31 - Open vraag

... night is quiet. Let's take a walk!

Slide 32 - Open vraag

Rules
Plural 
nouns

Slide 33 - Tekstslide

Irregular plurals 
child – children
goose – geese
man – men
woman – women
tooth – teeth
foot – feet
mouse – mice
person – people







ox - oxen
policeman - policemen
fish - fish 
spacecraft - spacecraft
louse – lice

Slide 34 - Tekstslide

Unchanging Nouns:
Singular           Plural
aircraft             aircraft
bass                  bass
bison                bison
elk                      elk
moose             moose
shrimp             shrimp
spacecraft     spacecraft
swine               swine
trout                 trout



















sheep – sheep
series – series
species – species
deer – deer
cattle - cattle

Slide 35 - Tekstslide

Plurals (= meervoud):
What is the plural of
elf?
A
elfs
B
elvs
C
elfes
D
elves

Slide 36 - Quizvraag

Plural of:
A
knife's
B
knifes
C
knives
D
kniven

Slide 37 - Quizvraag

Plurals (= meervoud): What is the plural of
wolf?
A
wolves
B
wolfs
C
wolvs
D
wolfes

Slide 38 - Quizvraag

Plural of child
A
child's
B
childs
C
kinderen
D
children

Slide 39 - Quizvraag

Slide 40 - Video

Plural of Mouse

A
mouses
B
mice
C
mices
D
mouse's

Slide 41 - Quizvraag

Plural of shoe
A
shoe
B
shoes
C
schoenen
D
shoos

Slide 42 - Quizvraag

Plurals (= meervoud):
What is the plural of
baby?
A
babys
B
baby's
C
babies
D
babyes

Slide 43 - Quizvraag

Slide 44 - Tekstslide

The Present Simple
Hoe kun je de "present simple" herkennen?

In een zin weet je of het een feit of routine is door naar signaalwoorden te kijken.
Woorden als every day (alledaags), never (nooit), always (altijd), every Wednesday (elke woensdag) vertellen je dat het over een routine gaat. Het komt vaak voor.

Als er geen signaalwoorden zijn, vertelt de zin u een feit.

Slide 45 - Tekstslide

Present simple 
Signaalwoorden:

always
often
ever
sometimes
every day
never
usually
every week

Slide 46 - Tekstslide

Sleep de signaalwoorden naar de goede rij. 
Present Simple
Always
Every day
Never
At the moment
currently
Right now
Today
Often
Regularly
Sometimes
Usually

Slide 47 - Sleepvraag

Maak 2 zinnen en gebruik de present simple (TT)

Slide 48 - Open vraag

Vertaal:
1. John speelt altijd buiten

Slide 49 - Open vraag

Homework
Work on Chapter 1 Nouns / Verbs in FIX Engels.

Slide 50 - Tekstslide