Toets examenvocabulaire (Quizlet)

Wat betekent 'demain'?
A
vandaag
B
gisteren
C
morgen
D
overmorgen
1 / 49
volgende
Slide 1: Quizvraag
FransMiddelbare schoolmavoLeerjaar 4

In deze les zitten 49 slides, met interactieve quizzen.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Wat betekent 'demain'?
A
vandaag
B
gisteren
C
morgen
D
overmorgen

Slide 1 - Quizvraag

'La semaine' betekent ......
A
de dag
B
de maand
C
de week
D
het jaar

Slide 2 - Quizvraag

'Vendredi' betekent
A
Vrijdag
B
Donderdag
C
Dinsdag
D
Zaterdag

Slide 3 - Quizvraag

'Ensemble' betekent .......
A
alleen
B
altijd
C
nooit
D
samen

Slide 4 - Quizvraag

'demander' betekent .......
A
vragen
B
zoeken
C
antwoorden
D
halen

Slide 5 - Quizvraag

Je vais ....... mes devoirs.
A
aller
B
jouer
C
faire
D
manger

Slide 6 - Quizvraag

J'aime .......... des frites
A
gagner
B
manger
C
finir
D
demander

Slide 7 - Quizvraag

Wat kan 'gagner' niet betekenen?
A
winnen
B
verliezen
C
verdienen

Slide 8 - Quizvraag

Wat is het tegenovergestelde van 'finir'?
A
commencer
B
voyager
C
écouter
D
fermer

Slide 9 - Quizvraag

Welk woord is geen dier?
A
le chien
B
le poisson
C
le chat
D
le père

Slide 10 - Quizvraag

Hoeveel is 'quatorze'?
A
14
B
16
C
13
D
15

Slide 11 - Quizvraag

Welk woord hoort er (qua betekenis) niet bij?
A
le dessert
B
le plat principal
C
l'oreille
D
l'entrée

Slide 12 - Quizvraag

'Aujourd'hui' betekent .......
A
gisteren
B
overmorgen
C
vandaag
D
morgen

Slide 13 - Quizvraag

Aujourd'hui c'est .........
A
lundi
B
ouvrir
C
mais
D
vite

Slide 14 - Quizvraag

'Pourquoi' betekent ......
A
Daarom
B
Wanneer
C
Waarom
D
Wie

Slide 15 - Quizvraag

Welk woord past bij 'écouter'?
A
l'oreille
B
les yeux
C
l'eau
D
la gare

Slide 16 - Quizvraag

Het tegenovergestelde van 'à gauche' is .......
A
tout droit
B
à côté de
C
en face
D
à droite

Slide 17 - Quizvraag

Het tegenovergestelde van 'fermer' is .......
A
montrer
B
ouvrir
C
flotter
D
boire

Slide 18 - Quizvraag

Bij 'boire' hoort .........
A
l'eau
B
l'argent
C
la poubelle
D
le poisson

Slide 19 - Quizvraag

Il faut mettre les déchets dans .......
A
le frère
B
l'animal
C
la poubelle
D
les légumes

Slide 20 - Quizvraag

'Combien' betekent .........
A
Waarom
B
Wat
C
Wanneer
D
Hoeveel

Slide 21 - Quizvraag

Het tegenovergestelde van 'devant' is ......
A
beaucoup
B
derrière
C
trop
D
très

Slide 22 - Quizvraag

Les tomates et la salade, ce sont des ......
A
yeux
B
déchets
C
légumes
D
habitants

Slide 23 - Quizvraag

Où est le chat? J'ai cherché ........
A
partout
B
mais
C
depuis
D
contre

Slide 24 - Quizvraag

Paris est ........ de la France.
A
la gare
B
le jardin
C
la bouteille
D
la capitale

Slide 25 - Quizvraag

J'ai acheté ....... de coca.
A
un jour
B
une bouteille
C
une fois
D
une mer

Slide 26 - Quizvraag

'Ensuite' betekent .......
A
Eerst
B
Uiteindelijk
C
Vervolgens
D
Tenslotte

Slide 27 - Quizvraag

Je suis ........
A
déjà
B
d'accord
C
après
D
aussi

Slide 28 - Quizvraag

'Aussi' betekent ........
A
ook
B
al
C
zoals
D
voor

Slide 29 - Quizvraag

Het tegenovergestelde van 'facile' is ......
A
demander
B
comment
C
comme
D
difficile

Slide 30 - Quizvraag

'Nieuw' is in het Frans .......
A
nouveau
B
partir
C
facile
D
difficile

Slide 31 - Quizvraag

'à partir de' .......
A
eerst
B
na
C
vanaf
D
vervolgens

Slide 32 - Quizvraag

'Éviter' betekent ........
A
eten
B
drinken
C
vermijden
D
wassen

Slide 33 - Quizvraag

'laver' betekent ........
A
eten
B
drinken
C
vermijden
D
wassen

Slide 34 - Quizvraag

'Je suis d'accord' betekent ......
A
Ik ben trots
B
Ik ben het oneens
C
Ik ben het eens
D
Ik ben verlegen

Slide 35 - Quizvraag

'Tout le monde' betekent .....
A
de hele wereld
B
iedereen
C
alles
D
alleen

Slide 36 - Quizvraag

'la moyenne' betekent .....
A
de omtrek
B
de oppervlakte
C
het gemiddelde
D
de maat

Slide 37 - Quizvraag

'mais' betekent .........
A
en
B
maar
C
dus
D
tegen

Slide 38 - Quizvraag

'ouvert' betekent ......
A
gesloten
B
gezien
C
geopend
D
gegeten

Slide 39 - Quizvraag

'derrière' betekent .....
A
voor
B
achter
C
naast
D
tegenover

Slide 40 - Quizvraag

'travailler' betekent .......
A
werken
B
winnen
C
reizen
D
verliezen

Slide 41 - Quizvraag

'surtout' betekent ......
A
overal
B
behalve
C
vooral
D
nooit

Slide 42 - Quizvraag

'ressembler à' betekent ......
A
kijken naar
B
drijven naar
C
lijken op
D
houden van

Slide 43 - Quizvraag

'la mer' betekent .......
A
de zee
B
de maaltijd
C
de moeder
D
het meer

Slide 44 - Quizvraag

'aussi' betekent .......
A
nooit
B
ook
C
altijd
D
niets

Slide 45 - Quizvraag

'trop' betekent .....
A
heel
B
te
C
veel
D
weinig

Slide 46 - Quizvraag

'beaucoup' betekent ......
A
niets
B
weinig
C
genoeg
D
veel

Slide 47 - Quizvraag

'la voiture' betekent .....
A
de auto
B
de bus
C
de trein
D
de metro

Slide 48 - Quizvraag

'depuis' betekent ....
A
daarna
B
en
C
omdat
D
sinds

Slide 49 - Quizvraag